Zeg, ik ben uw bediende niet

Vrijwel niemand kiest vrijwillig voor een verzorgingstehuis. Maar als je er dan eenmaal zit, hoe is dat dan? Impressies uit ’t Hamersveld.

Zorgcentrum ’t Hamersveld in Leusden is geen doorsneeverzorgingshuis in een doorsneeprovincieplaats, maar één van de nieuwste verzorgings- en verpleegtehuizen met aanleunwoningen in het pakket van zorgkolos Beweging 3.0. Foto’s Olivier Middendorp

Een verzorger beantwoordt aan de telefoon de druk op de alarmknop van een bewoonster van het zorgcentrum.

„Hallo? Waarvoor moeten we komen?”

„Dan zou u even op de wc moeten gaan zitten.”

„Ademnood? O, het kráákt zo?” Pauze en een zucht. „Ik kom zo wel even.”

We zijn in zorgcentrum ’t Hamersveld in Leusden – geen doorsneeverzorgingshuis in een doorsneeprovincieplaats, maar één van de mooiste en nieuwste verzorgings- en verpleegtehuizen met aanleunwoningen in het pakket van zorgkolos Beweging 3.0. Die strekt zijn activiteiten uit over de regio Eemland, de wijde omgeving van Amersfoort. De koepel heeft negen woonzorgcentra en vier verpleeghuizen met bij elkaar bijna 1.500 bewoners. ’t Hamersveld heeft 71 kamers en de leeftijd van de bewoners varieert er van 60 tot 102 jaar.

In de ouderenzorg staan veel veranderingen op stapel. Ouderen kunnen alleen nog bij een zeer zware of complexe zorgvraag in een verzorgings- of verpleegtehuis terecht en moeten betalen voor alles wat niet in het basispakket zit. Sommige huidige bewoners van ’t Hamersveld zouden daar volgens de nieuwe regels niet meer terechtkomen en moeten het voortaan met thuiszorg en mantelzorg door familie of vrienden doen.

In ’t Hamersveld brak dit jaar al een kleine revolutie uit toen de appelmoes en de sla bij het warme eten voortaan niet meer inbegrepen waren. Ook gingen (de families van) bewoners steigeren toen er een vrijwillige bijdrage van 20 euro per maand voor extra activiteiten werd gevraagd: de film in het restaurant, het optreden van een orkestje, het organiseren van een sinterklaas- of kerstactiviteit, een uitje. Koffie en thee zijn voorlopig nog voor iedereen bij de prijs inbegrepen, omdat het maken van onderscheid bij de rondes te veel verdeeldheid zou zaaien.

„Die extraatjes zijn nu net de dingen die ’t Hamersveld sfeer geven”, zegt de vrijwilligers- en activiteitenbegeleidster. „We hebben hier aan de rand van de Veluwe een luxesituatie, met eerder een teveel dan een tekort aan vrijwilligers. Dat is in de Randstad wel anders. We bedelen bij bedrijven in de buurt nog steeds wel iets bij elkaar voor het nieuwe haringfeest of de aspergemaaltijd, maar zelfs dan: niets is helemáál gratis.”

Bewoners zijn zich er nauwelijks van bewust dat ze een ‘etiket’ hebben. Ze zijn bijvoorbeeld een ‘ZZP4’ of een ‘ZZP8’. Zo’n indicatie staat voor het ‘zorgzwaartepakket’, de mate van zorgbehoefte waarmee iemand een verzorgingshuis binnenkomt. De gradatie loopt van 1 (minimaal) tot 10 (alleen nog palliatieve zorg). Wie met 4 binnenkomt en zich als een 6 gedraagt – veel op de alarmknop drukken, vaak met hulp naar de wc willen, elke dag met hulp willen douchen – maakt zich bij het personeel niet populair.

Een verzorger: „Zij is deze week al met honderd minuten over haar ZZP heen gegaan.” Diepe zucht. „Het is hier toch al vechten met je tijd. We zijn hier met zijn negenen voor zeventig bedden, dus zes à zeven bewoners per persoon zijn jouw verantwoordelijkheid. De zorg wordt steeds gecompliceerder, de administratie ook. En je kunt nu eenmaal niet bij iedereen tegelijk zijn. Dus ja, als er afspraken zijn gemaakt met mensen over het moment waarop wij dagelijks de ronde lopen en bij hen aankomen, dan zullen ze moeten wachten als ze daarbuiten iets van je willen.”

De man van de technische dienst: „Ja, ze belt steeds over de afstandsbediening van de tv. Dat die niet werkt. Dat heb ik nu al zés keer uitgelegd.”

Mevrouw G., die al jaren in ’t Hamersveld woont en nog net in staat is om met aangepast bestek haar eten naar haar mond te brengen, vertelt hoe ze de ‘zorg op maat’ die hier wordt geboden ervaart: „Als ik naar de wc moet, móét ik naar de wc. Dus als ze zeggen: u mag niet op de knop drukken, dan zeg ik: dat moet je tegen mijn lijf zeggen! Daar kan ík toch niets aan doen!”

Verhuizen naar een verzorgingshuis is een brute markering van het ingaan van de laatste levensfase. Uit zo’n huis kom je nooit meer weg. Voor iedereen is die confrontatie keihard, maar afhankelijk van karakter en omstandigheden past de ene bewoner zich beter aan dan de ander.

Mevrouw A. rouwt nog dagelijks om alles wat ze niet meer kan en klaagt onophoudelijk. De rolstoel, het incontinent worden, het niet meer kunnen autorijden, het niet meer helemaal zelf erop uit kunnen gaan, al was het maar naar het winkelcentrum naast de deur. Het personeel doet wat het kan om haar aan te horen en aan haar wensen tegemoet te komen, maar niets helpt. Mevrouw A. staat daarmee al gauw bekend als een klaagster. „Op die perceptie moeten we elkaar aanspreken”, zegt de verzorger. „Het is onmacht. En we praten hier te weinig over macht en onmacht.”

Andere bewoners schikken zich, noodgedwongen of omdat hun blik zich hier zo vernauwt dat niets dan hun eigen directe belang – het grotere stukje vlees op het bord van de buurvrouw bijvoorbeeld – hen nog iets kan schelen.

Een enkeling voegt zich naadloos, vaak omdat ze van de generatie zijn die geleerd heeft dankbaar te zijn voor wat je nog wél kunt. In ’t Hamersveld: de slinkende vriendinnenclub (twee zijn er al overleden) die met de scootmobiel op een mooie dag naar het Valleikanaal tuft en daar een meegebrachte boterham opeet. „Genieten van de natuur.”

Op de vraag hoe het is om ‘object’ van de zorg te zijn geworden, volgen meestal stereotiepe antwoorden. „De verzorging is hier prima hoor.” Of: „Ik heb zo’n mooi uitzicht.” Of: „Ik kan gelukkig nog in het restaurant eten. In de huiskamer op de afdelingen word je gevoerd. O nee, dat mag niet. Daar word je gehólpen.” Maar ook: „Je moet je wel aanpassen, anders heb je geen leven.” Of: „Mijn geest is helder, maar mijn bestaan is leeg.” En: „Ik zie er niet tegenop om te sterven. Wel om afscheid te nemen van mijn kinderen.”

Tranen dan, zoals zo vaak wanneer deze mensen over hun kinderen praten. „Zonder mijn kinderen zou ik het hier niet uithouden.” Maar lang niet alle bewoners hebben kinderen. Mevrouw M. bijvoorbeeld, die als enige in het hele huis nog een hond heeft, Snoekiepoetsjie, die door een betaalde oppas wordt uitgelaten. Het hele restaurant leeft op als het zwarte vuilnisbakje dociel op de grond naast de rolstoel van zijn bazin ligt. Wie zich nog zover voorover kan buigen, aait.

Bij ‘zorg op maat’ in dit verzorgingshuis past dat bewoners hun huisdier mogen meenemen, mits ze in staat zijn het dier zelf te verzorgen en uit te laten. Een beperking die in de praktijk betekent dat behalve mevrouw M. niemand anders een hond of poes heeft. Een enquête over de vraag of er een Hamersveld-huisdier moest komen om gezamenlijk te koesteren, leverde felle voor- en tegenstanders op en heeft uiteindelijk geleid tot het compromis om misschien een Hamersveld-aquarium aan te schaffen.

„Hij is m’n alles”, zegt mevrouw M. over haar hond. „Ik heb niemand. Ik ben mijn hele leven nogal geïsoleerd geweest.” Toen ze in het winkelcentrum omvergereden werd door een autistische jongen op een fiets en half bewusteloos op de grond lag, riep ze volgens omstanders maar één ding: „Snoekiepoetsjie!”

Na acht weken verpleging mag zij – als een van de weinigen – voorlopig weer terug naar huis, mét hond. Het kan haar niet snel genoeg gebeuren: „Het eten is goed, de verzorging is prima, maar het intellectueel niveau hier is ver onder de maat. Al dat klagen aan tafel over kapotte benen en andere ellende. Alsof er niets anders in de wereld is.”

Mevrouw M., die bijna 90 is, heeft geen trek om „beneden gezellig samen met de groep de krant te lezen”. Ze leest liever haar eigen NRC. Maar ze wil niet dat ze daardoor bij medebewoners of het personeel een slechte naam krijgt. „Die heeft kapsones.”

Het personeel zou ouderen die niet zo geliefd maar wel (bijna) volledig van hen afhankelijk zijn op tientallen subtiele manieren kunnen ‘terugpakken’: te lang op de wc laten zitten, lang wachten met reageren op bellen, de douche iets te koud zetten, abrupt een kledingstuk naar beneden trekken. Een verpleegkundige: „Zoveel gedrag bij bewoners komt voort uit verdriet of onmacht. Als je je dan als verzorger niet afvraagt wat dat gedrag veroorzaakt, en je interpreteert het juist als ‘die bewoner wil macht over mij uitoefenen’ en je kropt je onvrede daarover steeds maar op, ja, dan explodeert het op een keer en dan krijg je zoiets als een broek te hard naar beneden trekken.”

Dezelfde verpleegkundige: „Bewoners, lijkt het wel eens, zijn zich zeer bewust van de situatie waarin zij zitten. Maar niet van de situatie waar wij in zitten. ‘Zorg op maat’, in de zin dat wij komen opdraven op elk moment dat zij dat willen, is niet haalbaar. Onnodig bellen van hun kant – ‘ik wil nú naar de wc want ik wil straks naar The Bold and the Beautiful kijken’ – kost ons tijd die we niet hebben. Ik beloon degenen die niet bellen. Of ik zeg ook wel eens, als ze aanhouden en onhebbelijk zijn: ‘Ik ben uw bediende niet’. Maar ik ga wel het gesprek aan: waarom doet u zo? Dat klaart de lucht in zoverre op dat zij duidelijkheid hebben en dat ik niets meer opkrop.”

In de kamer waar bewoners die niet meer zelfstandig beneden naar het restaurant kunnen, worden geholpen met eten, wordt de heel oude mevrouw P. binnen gereden. Ingepakt in een deken en een fleecedeken, schoon gewassen en tevreden. De verzorgster is jong, met grote blauwe ogen en een vriendelijk gezicht. Ze buigt zich naar mevrouw M., aait haar over haar gezicht en zegt: „Kan ik verder nog iets voor u doen? Zit u lekker? Nou, eet smakelijk, ik kom u straks weer halen.”

Ze is een opvallend voorbeeld van persoonlijke empathie. Iedereen is hier vriendelijk, maar bewaart ook afstand. Zou de natuurlijke zorgzaamheid die vroeger de belangrijkste kwalificatie was voor verzorgend en verplegend personeel zijn verdwenen onder het gewicht van de (universitaire) opleiding en de vereiste professionalisering van dit soort beroepen?

Deze verzorgster (27, moeder van twee kinderen) straalt die zorgzaamheid opvallend uit. Die aai. Want oud worden betekent vaak ook: niet meer aangeraakt worden. „O, raakte ik haar aan?” zegt ze geschrokken. „Dat mág helemaal niet. Dat leer je tenminste in de opleiding. Dat je afstand moet houden, ook emotioneel.” Ze vindt dat veel van haar collega’s te veel klagen hoe zwaar het werk is. „We overleggen veel over zorgplannen, zoveel dat we de tijd niet hebben om die ook uit te voeren. Soms kom je er niet eens aan toe om een rondje te lopen.”

Ze wilde ooit de kraamzorg in, maar bleef na een stage hangen in de pyschogeriatrie en werkte nog een tijdje in een verpleeghuis in Amersfoort. „Mijn ouders gaan nóóit naar een verpleeghuis! Daar was het wel eens: ’s morgens vroeg een incontinentieluier aanleggen en dan ’s avonds pas weer vervangen door een nieuwe.” Ze vindt het hier qua belasting „beter dan in de psychogeriatrie. Al wordt het wel steeds minder.” „Oude mensen”, zegt ze, „hebben, net als baby’s, geborgenheid en liefde nodig. Ik maak graag een praatje. Afstotelijk? Dat zíé ik niet eens meer.”

En dan is er de dood. Op ’t Hamersveld wordt die gemarkeerd door het plaatsen van een tafel met een witte roos voor de deur van de bewoner. Bij het uitdragen van de kist – door de voordeur – verzamelt zich het voltallige personeel om de bewoner uitgeleide te doen. „Mensen praten hier wel eens over de dood, maar nooit lang”, zegt de stagiaire die als gastvrouw in het restaurant optreedt. ’t Hamersveld heeft de receptie met mensen achter een balie vervangen door rondlopende gastvrouwen. Die ontvangen bezoekers, bedienen bij de maaltijden en verrichten hand- en spandiensten. „In het afgelopen jaar zijn er misschien 35 mensen doodgegaan. Dat is wel erg, maar je went eraan. Eén mevrouw door euthanasie, die was zo ziek en die was per ongeluk toch gereanimeerd, hoewel ze een niet-reanimatieverklaring had. Dat was wél erg.”

Mijnheer A. is twee weken geleden gearriveerd. „Ik had mezelf nogal verwaarloosd, sinds mijn vrouw twee jaar geleden is opgenomen. Ze heeft Alzheimer. En ik was depressief. Op vrijdag was hier een oude dame overleden. Op woensdag zat ik hier, in dit appartement. Aparte slaapkamer, uitloop naar buiten. Mijn dochters zeiden ook: dat moet je doen. Mijn kasten gaan naar de kringloop. Mijn bureau komt nog hier naartoe.

„Dit is een eindstation, maar daar denk ik alleen aan als ik me niet zo goed voel. Ik ben 86, wat heb je dan nog voor perspectief? Bij sommige verzorgingshuizen vragen ze 50 euro voor een half uurtje wandelen of 25 euro voor een keertje douchen. Je bent op een leeftijd dat je niet veel meer te vertellen hebt. Ik hecht wel aan het leven, maar niet aan eindeloos kwakkelen. Een maand of twee geleden heb ik een euthanasieverklaring ondertekend.”

Oud, afhankelijk, verlies en tenslotte dood. Bijna iedereen – behalve diegenen die het voor opname nog slechter hadden, kwakkelend met ontoereikende thuiszorg of gehospitaliseerd in een verpleeghuis – ziet op tegen opname in een verzorgingshuis. Wie zou hier terecht willen komen? Midden in de wijk, maar toch een wereld die met ‘buiten’ niets te maken lijkt te hebben.

En toch: oude mensen, ook al zijn ze zorgafhankelijk en vrijwel machteloos, blijven gewoon mensen. Het is de roddel van de maand: twee buren zijn hier verliefd op elkaar geworden. Zo verliefd dat zij opbiechtte vlinders in de buik te voelen.

„Zijn ogen hebben het gedaan. Hij is helemaal invalide en hij zit vol vlekken omdat zijn huid zo dun is. Maar ondeugend! Ik wist niet wat me overkwam. Ik 82 , hij 88. Ik ben 28 jaar alleen geweest, maar nu? ’t Is hem gewoon. We hebben zó veel lol samen. De kinderen zeggen: mamma, ga ervoor!”

En, staat ’s avonds de zorgpolitie op de gang om ervoor te zorgen dat ze elk naar hun eigen kamer teruggaan? „Kind”, zegt ze, „hij kan helemaal niets. En ik kan niet eens zonder rollator naar de wc. Hij heeft een katheter en ik ben incontinent. Maar ik zeg altijd: je leeft nu”

    • Hieke Jippes