Op Corsica regelen we onze zaakjes zelf

Een golf moordaanslagen op het eiland Corsica leidt tot spierballentaal van de Franse regering: nú moet het afgelopen zijn. Maar rivaliserende clans en nationalistische groepen vormen een explosieve mix. Iedereen beschermt elkaar.

A general view taken on November 17, 2012 shows relatives and people following the funeral cortege of Jacques Nacer, the Chamber of Commerce and Industry (CCI)'s local president in Ajaccio's streets. Nacer was found shot dead on November 14, 2012 in his retail shop in Ajaccio, in the French Mediterranean island of Corsica. Since the start of 2011 there have been 39 murders on an island with a population of just over 300,000, giving it the highest homicide rate in Europe. AFP PHOTO / PASCAL POCHARD-CASABIANCA AFP

De harde regens hebben de laatste bloedsporen van de straat gewist. Maar normaal voelt het nog niet aan de Rue du Cardinal Fesch. Mensen die de dichtgeschilderde etalage op nummer 19 passeren, kijken ostentatief door de verfkieren naar binnen of staren juist stoïcijns de andere kant uit. Praten doen voorbijgangers niet. Hier, voor de deur van zijn herenmodezaak Ecce Uomo, kreeg twee weken terug de voorzitter van de lokale Kamer van Koophandel een kogel door zijn hoofd. Het was zeven uur ’s avonds en Jacques Nacer, 49 jaar oud, wilde net gaan afsluiten toen een onbekend persoon met bivakmuts op zijn pad verscheen.

„Het was geen onaardige man”, zegt een buurvrouw over Nacer onder de luifel van een belendend restaurantje. Ze trekt nerveus aan een flinterdunne filtersigaret. „Maar dat heb ik van meer mensen gedacht die later betrokken bleken bij duistere zaken.” Over de moord zelf wil ze eigenlijk niet praten – en met haar naam in de krant wil ze al helemaal niet. Alleen op gedempte toon spreken Corsicanen over ‘la violence’, het geweld. Het is een zaak die ze liever onder elkaar houden. Mensen „van het continent” zullen het wel nooit begrijpen. „Ze nemen ons niet serieus of denken dat we achterlijk zijn.”

De moord op Nacer in de drukste winkelstraat van Ajaccio, de regionale hoofdstad van Corsica, was de zeventiende afrekening in een lange reeks dit jaar. Nummer zestien was topadvocaat Antoine Sollacaro, die half oktober bij een benzinestation even buiten de stad in zijn Porsche onder vuur werd genomen. Nummer achttien, vijf dagen na de moord op Jacques Nacer, bleek de Portugese aannemer Victor Ribeiro. Die was, zo zei een anonieme rechercheur in een Frans weekblad, op de lucratieve bouwmarkt „te concurrerend” bezig geweest en bedreigde de toeristische investeringen van een van de vele bandietenbendes.

Met naar schatting honderd moordaanslagen sinds 2008 behoort Corsica tot de meest gewelddadige regio’s van Europa. Een op de vijf Franse moorden vindt plaats op het eiland dat met 305.000 inwoners nog geen halve procent van de totale Franse bevolking levert. Slechts een enkele zaak wordt opgelost, verdachten zijn voor de recente afrekeningen niet in beeld. Het geweld wordt gevoed door een explosieve mix van rivaliserende families en clans, een verziekte vastgoedmarkt door de opkomst van massatoerisme in de jaren zeventig en de restanten van een nationalistische beweging met onverholen dedain voor de Franse staat.

„Iedereen is met iedereen verbonden”, verzuchtte onderzoeksrechter Gilbert Thiel afgelopen maand in een reeks interviews in Franse kranten. Thiel, die vanuit Parijs het terrorisme in bredere zin bestrijdt, onderzocht vanaf 1998 de geruchtmakende politieke moord op de prefect van Corsica, Claude Érignac, de hoogste ambtenaar van ‘Parijs’ op het eiland. Dat leidde pas negen jaar later tot de veroordeling van schaapsherder Yvan Colonna. „Je kunt niet infiltreren, zelfs al heb je het juiste accent en het juiste uiterlijk”, zei Thiel over de moeilijkheden voor politie en justitie op Corsica.

Dat beaamt schrijver Sampiero Sanguinetti, die onlangs een boek publiceerde over de geschiedenis van het geweld op Corsica. „Als je hier de stad uitrijdt, dan ben je zo in de bergen. De gemeenschappen zijn daar al vele eeuwen enorm geïsoleerd en vergeleken met de rest van Frankrijk behoorlijk armoedig”, zegt hij op het terras van een van de vele etablissementen met de naam Napoléon – die op Corsica geboren werd. „Het vertrouwen in de instituties van de staat is daar buitengewoon klein, men lost kwesties liever onderling op. Iedereen weet alles, wie wie bedreigd heeft, waarom en wanneer.” Wat niet helpt is dat het eiland, met 360 gemeentebesturen, één politiek vertegenwoordiger per twintig inwoners heeft. „Dat werkt feodalisme in de hand”, zegt Sanguinetti. „Mensen zijn gevoelig voor dreigementen, bang voor de zware criminaliteit.”

Maar noem het op Corsica geen ‘maffia’.

Het woord is „stigmatiserend”, zegt de een. Of „overdreven”, zegt de ander. Het is een woord van het continent, niet van het ‘Île de beauté’, zoals het eiland zich voor toeristen aanprijst. Sanguinetti, indrukwekkend besnord, woonde acht jaar op Sicilië en kent de echte maffia. „Een pyramide-achtige organisatie heb je hier niet. En Corsica is natuurlijk minuscuul vergeleken met Sicilië, waar 6 miljoen mensen wonen en het enorme maffianetwerk een ware bedreiging voor de staat vormt.”

Dit soort nuances zijn aan minister Manuel Valls minder besteed. De minister van Binnenlandse Zaken, die zich als onbuigzame misdaadbestrijder profileert, kwam afgelopen week naar Corsica om, in spierballentaal, „de maffia uit te roeien”. In zijn kielzog minister Christiane Taubira van Justitie. Het duo dat met bestuurders van hoog tot laag rond de tafel ging, beloofde meer agenten, betere opsporingsmethoden en stevige aandacht van Parijs. De Corsicanen zelf, zei Valls met opgeheven vinger, moeten „massaal in het geweer komen tegen het geweld”.

„Maar over een paar maanden zijn ze ons weer compleet vergeten”, lacht een sceptische Pierre Poggioli, nationalist van het eerste uur. „Ministers komen en gaan, maar uiteindelijk kunnen ze dit eiland niet begrijpen.” Het is niet voor niets, zegt hij in een koffiehuis even buiten Ajaccio, dat het beter is als er meer autonomie komt. „Ik heb niets met Frankrijk en Frankrijk heeft niets met ons. We kennen elkaar niet. We spreken niet eens de zelfde taal.” De taal Corsicaans, door de meeste Corsicanen thuis gesproken, is een mengeling van Italiaans en Frans.

Poggioli’s in 2009 opgerichte partij Corsica Libera, die enkele nationalistische groepen samenbracht en in 2010 goed was voor 10 procent van de stemmen bij verkiezingen voor het eilandparlement, heeft geweld als middel nooit veroordeeld en pleit voor meer zelfbeschikking en, in theorie, ook voor ‘onafhankelijkheid’ – al moet zelfs de doorgewinterde nationalist glimlachen bij dat niet erg realistische uitzicht. De economie van Corsica is veel te klein om op eigen kracht te kunnen bestaan. „In alle vertegenwoordigende lichamen in Corsica zitten nu nationalisten”, zegt hij. „Dat was een van onze doelstellingen. Maar de problemen met de staat en de instituties blijven.”

Poggioli legde voor zijn dissertatie in de politieke wetenschappen onlangs de Baskische afscheidingsbeweging ETA en de Ierse IRA naast de FLNC, het Front Libération Nationale Corse dat vanaf de jaren zestig met vooral bomaanslagen van zich liet horen. De hoofdbeweging is in rivaliserende groepen uit elkaar gevallen, maar het eiland wordt nog altijd geregeld opgeschrikt door explosies bij vakantiehuizen van ‘continentale’ Fransen of door ander politiek geweld. De laatste moordaanslag die door de FLNC, of een splinter daarvan, werd opgeëist, was in 2011 op een man die volgens de politie lid van een boevenbende met de vriendelijke naam ‘Zeebries’.

Een nationalistische aanslag is „niet te vergelijken met zware criminaliteit”, zegt Poggioli. „Vanaf de jaren tachtig lag de nadruk bij het werk van politie en justitie op het politieke geweld, terwijl de onderwereld zich in alle rust kon ontwikkelen”, schreef hij eerder deze maand in een ‘open brief’ aan de ministers Valls en Taubira. Wat hij bedoelde: de nationalistische beweging heeft met de recente aanslagen niets van doen. „Je moet onze politieke strijd niet verwarren met misdaad, met de drugshandel en de strijd om strandlocaties voor toeristische accommodatie. Dat is precies wat de staat graag doet om ons in diskrediet te brengen. Dit is puur criminaliteit.”

Maar omdat op Corsica iedereen elkaar kent, zijn verbanden snel gelegd. Ondernemer Jacques Nacer was bestuurder van voetbalclub AC Ajaccio. Antoine Sollacaro was de clubadvocaat – overigens ook de advocaat van de schaapsherder die de prefect vermoordde. Beiden waren volgens lokale media weer bevriend met clubvoorzitter en voormalig nationalistisch kopstuk Alain Orsoni, die na dertien jaar zelfverkozen ballingschap in Zuid-Afrika in 2008 terugkeerde op Corsica en afgelopen zomer zelf aan een aanslag ontsnapte. Orsoni’s zoon zit in voorarrest op verdenking van drugshandel en medeplichtigheid aan een moordaanslag.

Orsoni zegt in interviews bang te zijn dat hij „een schietschijf” is geworden omdat de afrekeningen steeds dichterbij komen. Volgens lokale onderzoekers, die ook niet met hun naam in de krant willen, houden veel recente afrekeningen uit de wereld van Orsoni verband met een sinds 2007 door Justitie onderzochte miljoenenfraude met publieke gelden rond een particulier beveiligingsbedrijf dat is opgezet door voormalige nationalisten. De voorganger van Nacer bij de Kamer van Koophandel, ook een contact van Orsoni, is verdachte in die zaak.

De nationalistische activisten zijn door de jaren heen, zegt onderzoeksrechter Thiel, „zoals alle terroristische bewegingen”, het oorspronkelijke doel uit het oog verloren en ten prooi gevallen aan hebzucht. De ‘revolutionaire belasting’ die aanvankelijk werd geheven om de gewapende strijd voor autonomie te financieren, bleek lucratiever te verdelen.

Parijs kan die achtergrond soms maar moeilijk begrijpen, ondervond onderzoeker Sanguinetti. Eigenlijk, zegt hij, is Corsica nog het best te vergelijken met een Département d’Outre Mer, een overzees gebiedsdeel in bijvoorbeeld de Caraïben. „We hebben nauwelijks productiemiddelen, een hoge werkloosheid en een vijfde van de bevolking leeft onder de armoedegrens van ongeveer 750 euro per maand. Pas als je hier serieuze ontwikkeling krijgt, dan zal het geweld en de criminaliteit afnemen. Maar dat zie ik in het huidige economische klimaat niet snel gebeuren.”