Het Zwarte Piet-mysterie

Gelijk maar naar de twee figuurtjes die hier vandaag als illustratie dienen – nu kan het nog. De één is Sinterklaas, dat kan niet missen, al heeft hij geen baard. Hij werd in december 1846 als vignet afgedrukt bij advertenties voor Sint-Nicolaasgeschenken die in het Algemeen Handelsblad verschenen. Het cliché is een paar jaar lang steeds opnieuw gebruikt en het ging zichtbaar achteruit.

We leiden eruit af dat de lezers van het Handelsblad, en waarschijnlijk alle Nederlandse lezers, in die tijd heel precies wisten hoe S.N. eruit zag. Een rijzige figuur met tabberd, mijter en staf – en soms een baard. De vraag is: wie of wat stelt het andere figuurtje voor. Het verscheen in deze vorm voor het eerst in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van december 1847. Alweer bij advertenties voor Sint-Nicolaasgeschenken, maar nu vooral voor banketbakkerswaren.

Begrepen de NRC-lezers uit 1847 en de jaren daarna wat dat sjofele ventje voorstelde? Ja, natuurlijk begrepen ze dat: een struisveer op zijn hoed, een roe onder zijn arm en een mand vol cadeaus. Dit was de helper van Sinterklaas. Als ze het niet hadden kunnen raden had de NRC het vignet niet gebruikt, natuurlijk.

De twee vignetten werden afgelopen week ontdekt in de stokoude kranten van het krantenarchief van de Koninklijke Bibliotheek. Dat is sinds kort via internet te raadplegen (kranten.kb.nl) en het is een prachtig middel om na te gaan hoe het Nederlandse Sinterklaasspel zich in de negentiende eeuw ontwikkelde. De kwestie kwam hier op 17 november ter sprake, en een paar jaar eerder ook al.

En een kwestie ìs het. Wij staan in Europa een beetje voor paal met die pikzwarte helpers die Sint Nicolaas in optochten en tv-optredens e. d. moeten bijstaan. Het zijn onmiskenbaar negers in een ondergeschikte positie en al een paar jaar wordt alles in het werk gesteld om aan te tonen dat het niet écht negers zijn of dat hun positie niet écht ondergeschikt is. Dat valt niet mee.

Het vreemde is dat S.N. in de rest van Europa wordt bijgestaan door mannetjes die eerder op duivels of boemannen lijken. Het gaat daar al eeuwen zo, maar wij hadden dat niet. Wij hadden meestal niets. De zwarte Moor als helper verscheen hier pas tussen 1848 en 1850 toen de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman hem opvoerde in het prentenboek ‘Sint Nicolaas en zijn knecht’. De zwarte knecht, die overigens geen naam kreeg van Schenkman, is sindsdien nooit meer verdwenen. Hij voorzag in een behoefte.

Wat was hier dan vóór Schenkman? Niemand die het zeker weet. Het is een mirakel dat over een feest dat zó bekend en bemind was zo weinig zekerheid valt te krijgen. Misschien is er in vroegere eeuwen wel eens een helper geweest, maar al voor het 1800 was hij spoorloos verdwenen. Dat is het beeld. Daarna brak het Zwartepietloze Tijdperk aan dat tot 1850 duurde.

De AW-redactie meende in 2010 een restje van de ontbrekende helper te hebben gevonden in het gedicht De Sint-Nikolaasavond van dominee P.A. de Génestet (1849). De Génestet beschrijft hoe op het avondje-van-Sinterklaas opeens het rinkinken van een keten klinkt. Dat moest wel Zwarte Piet zijn, was het AW-idee, want er zijn Sinterklaasversjes waarin een Zwarte Piet voorkomt ‘met een ketting aan zijn voet’.

Het was te vroeg gejuicht. Uit het KB-krantenarchief blijkt zonneklaar dat het de Sint zelf was die met ketens rondliep. In het Nieuws van den dag (6 december 1872) wordt een jeugdherinnering beschreven: ‘Mijn Sinterklaas was een man te voet met een grove pij en een bonte muts. Achter zich aan sleepte hij een ketting, die over de steenen in onze gang kletterde. Als hij binnenkwam dan danste hij met ketting en al een patertje mee.’ Een muts, een ketting en een dansje, het is verleidelijk hier langer bij stil te staan. Maar het gaat er vandaag om dat het rinkelen van een ketting geen aanwijzing is voor de aanwezigheid van een Zwarte Piet, of hoe de helper ook genoemd werd.(Zwarte Jan en Jan de Knecht was tot 1940 ook heel gangbaar.)

Was het Zwartepietloze Tijdperk dus echt volkomen Pietvrij? Neerlandicus Frits Booy, die in 2008 het mooie boekje Op zoek naar Zwarte Piet uitgaf heeft zo zijn twijfels. Vlak over de Duitse grens had de heilige Nikolaus wel altijd een helper. En pastoor H. Welters, die in 1839 geboren werd, herinnerde zich ook zo’n helper uit zijn Limburgse jeugd. Maar Limburg heeft lang in de Duitse bond gezeten, natuurlijk.

John Helsloot van het Meertens Instituut, die er in 2008 in het al even mooie boekje De kleine Olympus (KNAW) nog van uitging dat S.N. hier vóór 1850 altijd zonder knecht opereerde, berichtte vorig jaar in een digitale nieuwsbrief dat hij ook niet meer zo zeker was. Hij had een boek gevonden van ene Jozef Alberdingk Thijm die een herinnering aan een pakjesavond in 1828 beschreef waarop al een ‘Pieter-me-knecht’ naast S.N. optrad. Weer een herinnering: volstrekt overtuigend klinkt het niet.

Nu is er dat rare kereltje dat in december 1847 in de NRC opduikt. Struisveer, roe en een mand vol Sinterklaascadeaus. Er was dus wel degelijk een helper vóór Schenkman en hij was niet zwart maar wit. En hij droeg klompen. Het bewijs is er. Hoera. Eindelijk.

Of niet? Er is wat vreemds met het mannetje. In december 1848 verschijnt hij ook in de Arnhemsche Courant, in veelvoud zelfs. Dat is één. Dan dit: het mannetje lijkt als twee druppels water op het mannetje dat (in spiegelbeeld) in 1849 werd afgebeeld in het boekje De beminnelijke Gerrit. Dat boekje, dat in 1822 zijn eerste druk beleefde, vertelt van een gewone knecht die uit malligheid als Sinterklaas optreedt, met een struisveer, een roe en een mand geschenken. De afbeelding is te vinden in ‘De kleine Olympus’. Punt drie: het mannetje lijkt op zijn beurt sterk op een soortgelijk mannetje dat rond 1830 werd uitgebeeld door de Duitse illustrator Ludwig Grimm, broer van de gebroeders Grimm. Zie het boek ‘Op zoek naar Zwarte Piet’ van Frits Booy. De gelijkenis is niet honderd procent, maar het geeft je het gevoel dat er een Duitse invloed is op deze types.

Hadden de Nieuwe Rotterdamsche en Arnhemsche Courant rond 1847 een partijtje Duitse clichés op de kop getikt? Maar dan moet het plaatje in ‘De beminnelijke Gerrit’ ook Duits geweest zijn. Dat kán, het kan zelfs een compleet gejat en vertaald Duits verhaal zijn. Maar die klompen en dat windmolentje tussen de geschenken, die doen toch wel Hollands aan. Het is om gek van te worden. Nu is er toegang tot een schitterend archief en wordt het ‘mysterie van Zwarte Piet’ almaar groter.

‘Op zoek naar Zwarte Piet’ is voor 10 euro te bestellen via fjbooy@zonnet.nl.