Het scherm onze blik licht op en weg is

Smartphones verdrijven de rust en het contact, stelt Mohammed Benzakour.

Three businesspeople leaning on a wall, looking at phones and digital tablets Image Source

Toen ik vorige maand een lange wandeling maakte door de Belgische Ardennen, passeerde ik op een goed moment een Hollands echtpaar. Beleefd groetten we elkaar. Vijftien meter achter ze aan hobbelden twee jonge meisjes, diep weggedoken in hun pings en whatsapps. Toen ze mij passeerden keken ze niet op, hoorden mij niet, liepen door alsof ik een geest was. Ik keek hen na tot ver achter de heuvels, tot ze uit m’n blikveld verdwenen. Niet eenmaal week hun gezicht af van de machine, laat staan dat ze hun ogen de kost gaven, terwijl de natuur zich geweldig uitsloofde; coniferen en vliegenzwammen waartussen de nevel als een bruidsjurk hing, achter de horizon een goudoranje gloed; al dit moois ontging hen schielijk. Wat hebben ze bij thuiskomst te vertellen? Welke herinneringen bewaren ze aan de Ardennen?

Het hoge woord moet er uit: de blik dreigt uit te sterven. Het genoegen van het alledaagse aanschouwen, de waarneming, het oogcontact, is rap aan het uitdoven. Vanaf Adam en Eva was dit een goede gewoonte die met plezier werd uitgeoefend. Maar sinds de uitvinding van de Samsung Galaxy en de iPhone is het voor iemand die hecht aan de vriendelijke groet, de knipoog, de hoofdknik, of zelfs maar de sluikse oogopslag, niet langer aangenaam door stad en land te wandelen. De oneindige reeks ‘ontmoetingen’ met op schermpjes starende schimmen creëert in het straatbeeld een mist die even unheimische gevoelens oproept als de confrontatie met boerka’s. Was ook daar niet de grootste ergernis de onzichtbare blik?

Natuurlijk, de zegeningen van de technologie zijn evident, maar moeten we daarom de ogen sluiten voor de boosaardige kanten ervan? Ik geloof niet dat men tot dusver voldoende heeft nagedacht over de revolutionaire betekenis van dit apparaat. Merkwaardig, want binnen tien jaar zal de aanblik van onze binnensteden een radicale omwenteling laten zien: geen voorbijganger die de ander nog een blik waardig gunt. Stedelingen, jong en oud, zullen niet meer over straat lopen anders dan in hun hermetisch afgesloten cocon van bits en bytes. Zelfs zoiets triviaals als de weg vragen is weldra lachwekkend; wie is nog zonder het ingebouwde navigatiesysteem – nu ook voor voetgangers – dat ons overal heenleidt; pompstation, pinautomaat, bank. Zo is aan het stadsbeeld het laatste ontnomen wat nog aan onze vroegere animale staat herinnerde: de verwonderende wandelaar.

Los van alle reële verkeersonveilige noties – hoe signaleer je met schermgefixeerde ogen en verstopte trommelvliezen een scheurende auto? – vergaat met de blik nog iets anders: het lege moment. Waar in de muziekleer het rustteken kleur en diepte geeft aan de symfonie, is in de alledaagse straatdrukte het onbezette ‘ogen-blik’ eerder aanleiding tot onrust en neurose dan dat het ruimte biedt aan overpeinzing en kalme waarneming. Wie heeft nog oog voor die elegante haarstrik, de kraai in het raamkozijn, die sigaren rokende betonvlechter, kortom, al die zaken die Couperus zo mooi ‘de mystiek der zichtbare dingen’ noemde?

Als in een reflex wordt nu elke ontstane leemte of pauzemoment onmiddellijk opgevuld met getik op een plastic scherm. Ga maar na: je staat met zijn zessen te wachten bij de tramhalte, maar je had er evengoed alleen kunnen staan – zo ook op het stationsperron, de lift, het stoplicht, de rij voor de bioscoop. Je wandelt over een zonnig plein, maar je treft niet één paar ogen met wie je de zonnigheid kunt uitwisselen. Je stapt een café binnen en in plaats van nieuwsgierige, droevige, flirterige blikken tref je rondom de tafels een autarkische dampkring aan. Of dit: je loopt over het strand maar die prachtige vrouw in de verte beent jou ongezien voorbij – waarmee in een adem ook de romantiek van het gelijktijdige omkijken is vervlogen.

Al deze ontgoochelingen bij elkaar creëren een eigenaardige soort verlatenheid, een vacuüm. Een verschijnsel dat nog sterker opgeld doet op plekken waar men tot elkaar veroordeeld is, zoals in het openbaar vervoer.

Neem de trein, ooit het heiligdom voor de nieuwsgierige reiziger die leeft van ontmoetingen. Tegenwoordig bij uitstek een hok voor kippen die kakelen tegen kippen die je niet ziet. Voor de gekwelde mens bedacht de NS een oplossing: de stiltecoupe. Een schijnoplossing. Weliswaar minder gekakel, maar hier openbaart zich een andersoortig vacuüm: de oordop – het auditieve pendant van het touchscreen. De oordopper zegt doodleuk: ik verwerp jou, jij bestaat niet. Een stilzwijgend decreet. En wie dit decreet dorst te tarten door met een (gezellige) opmerking het ijs te breken, ziet (als hij al wordt gehoord) hoe een hand omhoog gaat en geïrriteerd de dop eruit plugt: ‘Huh? Zei je wat?’ Nog een paar van zulke verheffende conversaties en je kijkt voortaan wel uit; liever staar je naar buiten. Maar wat is nog het plezier van een treinreis als blikken niet meer kruisen en het gesprek is verstomd? Wat betekent überhaupt nog ‘mede-reiziger’?

Het ritueel afsnijden van de twee meest elementaire zintuigen, het oog en het oor, betekent niets anders dan een a priori afwimpelen van iedere eventuele verstandhouding en sociale belangstelling. Dit raakt aan een diepe tragedie: de naaste mens van vlees en bloed wordt ontkend in zijn bestaansrecht.

Ga eens naar de buurtsuper en ontdek hoe schokkend normaal het is geworden dat de boodschappen worden betaald met de oordoppen van de telefoon in. De dame zit achter de kassa, ze neemt het geld aan, ze geeft de bon – maar aan wie eigenlijk? Door de moedwillig opgetrokken membraan tussen klant en kassier is iedere natuurlijke wisselwerking de kop ingedrukt. Hetzelfde zie je wanneer oordopbellers een tram instappen en achteloos de chauffeur passeren – alsof hij er niet zit, alsof hij niet een ambacht uitoefent dat bestaat bij de gratie van u en mij. Waarmee van de weeromstuit de ironie van alle sociale media aan het licht komt: asocialer kan bijna niet.

De wonderolie van de smartphone mag talloze remmen losmaken, op het touchscreen wordt volop getweet en geliked, maar als de ‘touch’ met de omringende concrete wereld langzaam wegzinkt, is er iets buitengemeens gaande.

Denkt u eens in, straks is de wereld (hopelijk) bedekt onder een dikke laag sneeuw; de witte pracht bekleedt takken en daken. Een jochie kegelt met een sneeuwbal een hoed omver, een fietser glijdt uit over een hondje, in de gracht kwakt een bejaarde schaatser tegen een oude trekschuit – maar welke wandelaar of tramreiziger ziet of hoort de kluchtigheid? Wie verhaalt de volgende generatie over de winter van 2013?

Waar de boerkadraagster haar toevlucht neemt tot een andere tijd, vlucht de smartphoner in een andere ruimte – met dit extra verschil: smartphoners zijn blind, doofstom en in onnoemlijk grotere getale.

Mohammed Benzakour is publicist, schrijver en dichter.