Het essay, dat ben ik

Aflevering 63: over de essays van Montaigne.

Montaigne © The Atlas of Literature (Greenwich Editions)

Aan de stamboom van de wereldliteratuur is Michel Eyquem de Montaigne (1533-1592) een van de onderste en stevigste takken. Honderden schrijvers zijn sinds de zeventiende eeuw door hem beïnvloed – niet alleen filosofen als Pascal, Rousseau en Nietzsche of essayisten als Ralph Waldo Emerson en Stefan Zweig, maar ook de sciencefictionschrijver Isaac Asimov en niet te vergeten William Shakespeare, die in The Tempest een deel van het cultuurrelativistische essay ‘Des cannibales’ parafraseerde.

Daarbij is iedere essayist schatplichtig aan Montaigne; wat niet zo gek is als je bedenkt dat de Franse humanist het genre eigenhandig uit de klei trok, in de eerste twee delen van een collectie bespiegelingen die hij in 1580 publiceerde onder de bescheiden titel Essais (‘probeersels’).

Korte beschouwende prozateksten, in de vorm van literaire betogen zonder wetenschappelijke pretentie, waren er altijd geweest, ook in de klassieke oudheid die door de humanisten uit de Renaissance zo bewonderd werd. Wat Montaigne daaraan toevoegde was wat je human interest zou kunnen noemen. Zijn essays gingen heel wat verder dan de droge becommentariëringen van klassieke citaten waarmee veel van zijn tijdgenoten en voorgangers hun dagboeken vulden. Hij was persoonlijk op het intieme af, of hij nu schreef over zijn verzengende vriendschap met de jong gestorven humanist Étienne de la Boétie, zijn nierstenen en likdoorns of zijn angst voor de dood. Als eerste filosoof in de geschiedenis maakte hij zichzelf tot uitgangspunt van zijn bespiegelingen over de wereld; hij zei ‘ik’ – of, zoals hij het met een knipoog in het voorwoord bij de eerste uitgave formuleerde: ‘Lezer, ik vorm zelf de stof van mijn boek; u zou wel gek zijn uw tijd te verdoen met een zo frivool en ijdel onderwerp. Vaarwel dus’ (vertaling Hans van Pinxteren).

Dat zijn lezers al meer dan vier eeuwen lang niet afgehaakt zijn, komt in de eerste plaats doordat hij – in weerwil van zijn inmiddels archaïsche stijl – de lezer in al zijn eerlijkheid direct aanspreekt : ‘Overigens heb ik mij tot regel gesteld dat ik al wat ik durf te doen ook moet durven zeggen, en gedachten die ik niet kan publiceren stuiten mij zonder meer tegen de borst’ (uit ‘Over enige verzen van Vergilius’). Montaigne lijkt een tijdgenoot, en het is voor de moderne mens een verademing om een oude denker te lezen die stelling neemt tegen wreedheden in naam van de godsdienst, die vreemde culturen niet uit principe afwijst, die spot met het geloof in heksen en die met een gezonde dosis scepsis ook de andere idées reçues van zijn tijd tegemoet treedt. Het que sçay-je? (Middelfrans voor ‘wat weet ik eigenlijk?’) lag hem op de lippen bestorven; het was zelfs zijn favoriete motto.

Montaigne was trouwens dol op motto’s. Toen hij zich op 38-jarige leeftijd, na een carrière als hoveling van Charles IX en rechter bij het parlement in Bordeaux, uit de openbaarheid terugtrok in zijn voorvaderlijk kasteel, liet hij op de balken van zijn torenkamer 54 spreuken van klassieke en bijbelse auteurs aanbrengen. In de negen jaar dat hij zijn zelfgekozen ballingschap volhield, voegde hij daar op papier een veelvoud aan zelfgemaakte wijsheden en oneliners aan toe. Heel beroemd zijn ‘Iedereen noemt barbaars wat hij niet gewend is’ en ‘Je moet lang gestudeerd hebben om niets te weten’. Ten minste zo mooi klinken ‘De waarde van het leven ligt niet in de lengte van dagen maar in het gebruik dat we ervan maken’ en ‘De mens kan nog geen huismijt scheppen maar wel goden bij de vleet’. En dat Montaigne ook een modern gevoel voor humor had, mag blijken uit ‘Hoe meer ik de mens leer kennen, hoe meer ik van mijn hond hou’ en ‘Geen beter huwelijk dan tussen een blinde vrouw en een dove man’.

© Museum Beelden aan Zee in Scheveningen

Montaigne van Eveline van Duyl. © Museum Beelden aan Zee in Scheveningen

Alleen al deze citaten maken duidelijk dat Montaigne allesbehalve een one trick pony was. Zijn 107 korte en lange essays, variërend van driekwart pagina (‘Soberheid bij de klassieken’) tot meer dan tweehonderd volle bladzijden (‘Pleidooi voor Raymond Sebond’), bestrijken zo ongeveer het hele leven en een groot deel van de geschiedenis. Menselijke eigenschappen zijn het populairst – niet alleen de hoofdzonden maar ook de kleine ondeugden komen aan bod – maar ze worden op de voet gevolgd door de grote figuren uit de oude geschiedenis: Cato, Cicero, Democritus en Heraclitus, Caesar, Spurinna, Vergilius, en natuurlijk Montaignes eigen voorbeelden Seneca en Plutarchus. Daarnaast zijn er essays over schoolfrikken, strijdrossen, loze spitsvondigheden, postpaarden en kreupelen. Door essays als ‘Over vlot of traag spreken’, ‘Over een leemte in ons staatsbestel’ en ‘Over een gedrochtelijk kind’ moet de Nederlandse lezer als vanzelf denken aan de inventaris van ‘het pak van Sjaalman’ uit Max Havelaar. Multatuli kwam daarin tot 147 onderwerpen, maar anders dan Montaigne werkte hij er geen enkele uit.

Ook Multatuli zal Montaigne bewonderd hebben – als de zoveelste in een lange rij van schrijvers en filosofen van wie de twijfelende rationalist René Descartes de eerste en de praktische levenskunstenaar Alain De Botton zeker niet de laatste was. Aan postume complimenten heeft het de dwarse denker uit Aquitanië niet ontbroken, maar het fraaiste kwam van zijn achttiende-eeuwse collega Voltaire. In de vertaling van Hans van Pinxteren: ‘Een landedelman die in een tijd van verdwazing redelijk blijft denken te midden van de fanaten, en die onder zijn naam mijn dwaasheden en tekortkomingen optekent, van zo iemand blijf je toch altijd houden!’