De Opelste Opel in jaren

rijdt in de Astra OPC, een auto als een jongensdroom.

‘Wir leben Autos’ was de stomste leus die Opel in blessuretijd kon verzinnen. Opel was altijd een merk voor brave dienstkloppers van nachtwaker tot hoofdboekhouder. Negen tot vijf, netjes en niet te duur. Aan de bescheiden rijken, heel gewoon gebleven, droeg Opel af en toe iets groters op dat Admiral of Senator mocht heten – auto’s voor Lee Towers. Voor de jongens was er, als gepaste uitzondering op de keurigheidsregel, soms een stout snel model.

Toen de gewone man zelf bijna bovenklasse was geworden, dacht Opel mee te kunnen liften met de yuppenhandel. Het betrad met leer en xenonlicht de premium-arena om, toen de crisis kwam, het hoofd te stoten aan het Darwinistische beginsel dat de beste wint. Opel was als C&A, dat nooit goed Hugo Boss had leren spelen. De duffe Astra werd een hip designding, ontworpen door stropdasloze jongens die ik in hun ontwerptoonzaal te Rüsselsheim de hand mocht schudden, waar ze in hun wonderlijke emo-nieuwspraak predikten dat Opel eindelijk ‘een stuk beleving’ was geworden. In de plaats van de gedegen Vectra kwam de Insignia, een aspirant-BMW voorde leasemannen wier tijd hopelijk nog zou komen, vertegenwoordigersgeluk met te veel knoppen.

Wat was het guur op de Olympus. De motoren waren niet goed genoeg voor de eredivisie, de koetsen te zwaar, de pretenties te groot. Het Opel van nu is een plezierjacht zonder aanlegsteiger.

Opel-commercials zijn het ergst. Ze liegen een doelgroep. In de nieuwste televisiespot voor de Opel Mokka, beoogde jongmaker voor vijftigplussers die allang een Kia Venga hebben, veinst een gehaaide designbaard absurd ongeloofwaardig Opel-liefde. De oude doorsnee-Opel wordt op slag sympathiek. Ik had een Omega. Hij roestte en rammelde, maar het was ruimte zonder fratsen, het driesterrenhotel waar je als Hiltonjongen niet op spuugde; ruim, prettige bediening, lage drempel. In die niche moet Opel terugglijden, eenvoudig en betaalbaar. Er is nog plek tussen de Koreanen, die dezelfde fout gaan maken door te gretig hogerop te willen.

Koekoeksei

In dat gat springt hij bepaald niet, de nieuwe Astra OPC. Als über-GTI met 280 pk is hij een historisch koekoeksei in het crisisnest. Toch is hij de Opelste Opel in jaren. Hij komt sissend nerveus en keihard turbo demonstreren dat Opel de techniek van sport en spel nog net zo in de vingers heeft als in de tijd van onbehouwen GSI-Kadetts en Astra’s met hun meerwaarde van ruige, volkse overvloed. De aanstekelijkheid van de formule is af te lezen aan de stapel boetes die de importeur mij stuurde.

De vraag is wie zoiets nu nog moet kopen. Voor 44 mille drift hij tussen tafellaken en servet. De Astra-doelgroep kan hem niet betalen, de echte liefhebber kiest een gebruikte BMW. Voor de paar connaisseurs die hem overwegen zal de OPC de benchmark in zijn genre moeten zijn. Dan nog geldt dat in de sector hot hatches op prijs wordt gestreden; zoveel mogelijk vermogen voor zo min mogelijk geld. Op dat punt zijn de aanzienlijk goedkopere Renault Mégane RS en Ford Focus ST in het voordeel.

Maar onderweg, in de bizarre kuipstoelen met stoere gaten in de rugleuning, bedacht ik dat hij helemaal geen topper hoeft te zijn. Hij is een Astra GSI-herinnering voor mannen van mijn leeftijd, die hem twintig jaar geleden niet konden betalen. Hun kick is als hun jongensdroom van vroeger: BMW’s zoek rijden. Zijn grootste kwaliteit is niet zijn meesterlijke onderstel. Het is de macht der suggestie. In deze OPC veeg je over de baan zoals je je vroeger voorstelde dat het in een GSI zou zijn, rauh aber herzlich. Het is die nooit geleefde droom die, als je het toch had liggen, desnoods 44 mille zou mogen kosten.

Conceptueel ligt hij op één lijn met Junkie XL’s remake van Presley’s ‘A little less conversation’. Hij is de digitale reanimatie van een oud levensgevoel, met exact de goede groove gebracht, een schitterende simulatie.

Hij is alleen aan niemand uit te leggen. In de week dat we hem hebben, brengen we een vioolnichtje voor een orkestweekend naar een nabije jeugdherberg. Op de oprit zien we verantwoorde ouders verbijsterd onze velgen spotten, groter dan de pannenkoeken die ze hun kinderen voor vlijtig oefenen hadden beloofd. Van de paar zekerheden die een mens heeft komt deze eerst: dit was de laatste OPC met een vioolkist op de hoedenplank. Maar onderweg zag ik jongens naar ons kijken, jongens die hem in de toekomst zullen hebben, jongens die we hadden kunnen zijn.

    • Bas van Putten