Wie dit niet leest is gek

In zijn 100ste geboortejaar is het Verzameld proza van dichter-schrijver Jan Hanlo verschenen. De verdediging van het gekke rechtvaardigde zijn bestaan.

Soms lijkt een oeuvre met de jaren te krimpen. De toppen (‘Tjielp, tjielp, tjielp etc.’) ervan blijven altijd vóór in je gedachten (‘Oote oote boe’), maar misschien juist daardoor (‘zo meen ik dat ook jij bent’) dreig je te vergeten dat er méér is – of was. Zoals de uitgeteerde oude wesp die Jan Hanlo beschrijft in In een gewoon rijtuig. Het beestje beweegt amper. Hanlo houdt haar in een leeg mosterdglaasje, ‘waar ik eigenlijk een dubbeltje statiegeld voor kan krijgen, maar ze is me dat statiegeld dubbel en dwars waard’. Het insect zou dood kunnen zijn, maar blijkt een koningin in winterslaap; er vallen drie nieuwe eieren uit haar, waar nieuwe wespen uitkomen.

Een koningin in winterslaap is ongeveer de leeservaring die het deze week verschenen Verzameld proza van Jan Hanlo (1912-1969) oproept. Hanlo is al jaren volledig gecanoniseerd, met zijn al tijdens zijn leven onder die titel verschenen Verzamelde gedichten, een tweedelige brievenuitgave (1989) en een biografie door Hans Renders (1998) – zozeer dat het je eigenlijk verbaast dat er nog geen verzameld proza was. Nog net in zijn honderdste geboortejaar is het er nu dan toch, in 700 prachtig gemaakte pagina’s dundruk met groot Een erwt zo groot als een voetbal is geen erwt op het stofomslag.

Het grootste deel van het boek bestaat uit korte tot ultrakorte stukjes – ook gedichten, in weerwil van de titel – over alles wat Hanlo’s verwondering wekt. Voorstellen voor nieuwe woorden (middellijk in plaats van onmiddellijk), een schoolopstel, een reisverslag uit Sevilla, drank en geloof, schilderkunst, moppen, gedichten en readymades – tot aan motorrijden aan toe, de liefhebberij die Hanlo in het voorjaar van 1969 noodlottig zou worden.

Maar de schoonheid van dit boek zit niet in de opsomming, maar in de manier waarop Hanlo bij elk stukje opnieuw begint met kijken en denken – niet voor niets is er een essayprijs naar hem genoemd. Bijvoorbeeld in de tekst waarin hij zich buigt over verschillende formaten erwten die samen in een blikje zitten – en wat de natuurlijke grens van het formaat van de erwt is. Of wanneer hij een beschrijving van de letters van het alfabet geeft, met de a als ‘man met hangbuikje’, b als ‘man met dikke opgeblazen buik’, i als galgje en r als ‘te klein lantaarnpaaltje, ook te klein galgje’.

Een erwt zo groot als een voetbal is geen erwt is oergeestig, maar tegelijkertijd op wonderlijke wijze voortdurend ernstig. Niets ligt hier vast, alles is in beweging. Een geamuseerd stukje over de gewoonte van horlogefabrikanten om hun producten in advertenties af te beelden met de wijzers op tien over tien eindigt niet met een conclusie, maar met een datering, voor het geval men ooit gaat besluiten alle horloges met een andere wijzertijd te fotograferen.

Soms is Hanlo gewoon mooi, zoals in ‘een opmerking’ dat alleen bestaat uit de regel: ‘Ofschoon ik niet weet hoe je hoofdhaar ruikt weet ik toch dat het naar mijn mening lekker ruikt.’ En in een schitterend verhaaltje over een kat die elke dag vanuit een erker gadeslaat hoe een oude hond wordt uitgelaten, al is dat beest tot amper meer in staat dan wat schommelende passen. Voor de kat blijft de hond een durfal in het volle leven. ‘Geen nieuwsgierigheid, geen sensatiezucht, geen ongezien gluren was het; het was de expressie van belangstelling.’

De expressie van belangstelling. Veel schrijvers zouden zijn gezwicht voor de verleiding een groter woord te kiezen – tot liefde aan toe – maar Hanlo kiest voor belangstelling; een nagenoeg geruisloos woord, een permanent understatement dat juist daarom zo goed bij deze teksten past. (Er is ook een mooi stukje over het woord understatement).

Waar die belangstelling zich op richt, probeert Hanlo uit de doeken te doen in een stuk over Dada en schilderkunst. ‘Een gebied dat nu nog niet systematisch was geëxploiteerd was dat van het gekke – het onverwachte zonder meer’. Een ander zou het over absurdisme hebben, maar het ‘gekke’ is niet alleen minder plechtstatig (en dus meer Hanlo), maar het vestigt ook de aandacht op iets cruciaals, op degene die waarneemt. ‘Ik van mijn kant voel mij enigszins alsof ik uit de school klap; het is zo leuk het hardnekkige publiek steeds weer hetzelfde raadseltje voor te leggen: „ik zie ik zie wat jij niet ziet” (nl. het gekke) dat het eigenlijk grof is de oplossing met een enkel plomp woord rond te roepen.’

Het gekke komt vaker voorbij, zoals in het tekstje ‘deze schilder’: ‘deze schilder maakt niet iets geks het is trouwens zo makkelijk niet om zelfs maar iets enkel geks te maken misschien voor een gek wel maar kunstenaars zijn nu eenmaal niet gek deze schilder is een kunstenaar en deze schilder is dus niet gek ook al maakt hij dus iets geks’.

In de werkelijkheid van Hanlo’s Verzameld proza is het gekke een verre van ‘plomp’ woord – en het is ook geen term die uitsluitend verwijst naar vrolijke verwondering. Want bij de sinds zijn jeugd aan depressies en psychosen lijdende Hanlo heeft ‘het gekke’ ook gewoon met gekte te maken. En met de vraag wanneer een afwijking zo groot wordt dat de gekte begint – bij welk formaat een erwt nog een erwt is, zeg maar. In Zonder geluk valt niemand van het dak, het na zijn dood gepubliceerde egodocument waarmee het Verzameld proza opent, schrijft Hanlo over de elektroshocks die hij ontving in de Amsterdamse Valeriuskliniek in de jaren veertig. Later werd hij in Heiloo opgenomen; zijn biograaf Hans Renders gaat ervan uit dat Hanlo daar is gecastreerd. De kennis uit Renders’ biografie verdiept sommige verhalen. De verdediging van het gekke was bij Hanlo niet alleen esthetisch – een manier om te tonen wat zich niet in plompe woorden laat vatten – maar ook persoonlijk. Het was de verdediging van zichzelf, een rechtvaardiging van zijn bestaan.

Een rode draad in Hanlo’s leven was zijn verlangen naar jongens. Hij werd éénmaal veroordeeld, wegens het strelen van de tepel van een minderjarige. Het gekke is bij hem niet alleen wonderlijk en beangstigend: het is soms ook bij wet verboden. De wetenschap van Hanlo’s pedofilie geeft sommige ogenschijnlijk onschuldige scènes een pijnlijke laag: wanneer hij vertelt hoe een jongetje even bij hem op schoot zit of wanneer hij kinderen in het circus wat te snoepen aanbiedt.

Dat geldt nog sterker voor Go to the Mosk, de ook al postuum gepubliceerde brieven die Hanlo schreef over het dertienjarige Marokkaanse jongetje Mohamed, dat hij in 1969 ontmoette in Marakech en wilde adopteren: ‘Het is een dier. Ongetemd, verwend, wild, en wat erger is – vrees ik – zonder veel vriendschap voor mij.’ Toch neemt hij het kind met instemming van de ouders mee naar Nederland, waar Mohamed bij gebrek aan verblijfsvergunning wordt opgepakt en teruggestuurd naar Marokko. Amper twee weken later rijdt de motor van Hanlo in de regen op een plotseling links afslaande tractor.

De late verschijning van Hanlo’s Verzameld proza is welbeschouwd merkwaardig, maar óók een zegen. Doordat inmiddels zoveel meer duidelijk is over het leven van de schrijver, worden de teksten samengebonden. Het boek toont hoe zijn belangstelling voor het gekke hem tot een onvergetelijke schrijver maakte – en hoe hij woord na woord het gekke wilde eren én bezweren.