Vermomd als boerenbaron

H.C.ten BERGE,auteur. PC Hooftprijs winnaar 2006.foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Zutphen,29 december 2005 ©Vincent Mentzel 2005

Het is november 1905. Plaats van handeling is Diepenheim, in Twente. Er is sneeuw gevallen. H.C. ten Berge beschrijft dit vroeg-winterse tafereeltje in De stok van Schopenhauer, dat volgens de ondertitel een kroniek is van ‘twee of meer levens’. De ondertoon is stekelig. ‘Het was stil in de winkel en stil in het dorpslogement’ lezen we. ‘Paden en wegen werden nog niet door laaglandse pekelneuroten besmeurd. Het was de tijd dat het wit nog wit, dat de sneeuw nog sneeuw werd gelaten.’

Aan het woord is H.C. ten Berge, die hier niet namens zichzelf een verhaal gaat vertellen, maar zich opwerpt als de bezorger van een kroniek die door Sweder van Anholt, een Achterhoekse baron, geschreven zou zijn. Wat heeft deze ‘boerenbaron’ ons precies te melden? Waarom moeten wij, ruim een eeuw later, belangstelling hebben voor de ontmoeting die deze Sweder in 1905 zou hebben gehad met een losbandige Duitse gravin in Diepenheim?

Ten Berge weet deze vragen niet erg soepel te beantwoorden. Vooral in de eerste overvolle hoofdstukken van deze lijvige kroniek, die het moet stellen zonder persoonsregister of ander naslagmiddel, stelt hij zijn lezers behoorlijk op de proef.

Ik twijfel er niet aan dat Fanny zu Reventlow (1871-1918) een bijzondere vrouw is geweest: een reislustige schrijfster, kettingrookster, BOM-moeder avant la lettre en bovenal een nymfomane, met alle zwangerschappen, miskramen en geslachtsziekten van dien. Maar we krijgen wel erg veel details te horen over de vele mannen met wie ze het bed deelde, of over de kwalen waaraan ze leed, of over de geldproblemen die ze had.

En dan lijkt Fanny ook nog vooral gebruikt te worden als leuke binnenkomer. Want eigenlijk draait het in De stok van Schopenhauer niet om die malle gravin, maar om het tijdperk waarin ze leefde: de periode van pakweg 1890 tot 1935. Daarin speelden zich een revolutie, een Wereldoorlog, een epidemie en een economische crisis af en begon zich alweer een nieuwe oorlog af te tekenen.

Kosmische Kring

Een overdreven helder beeld krijgen we intussen niet van dit roerige tijdperk. Ten Berge, vermomd als baron, wekt de indruk dat hij niet goed kon kiezen uit het overvloedige feitenmateriaal. Een terugkerend onderwerp is ‘de Kosmische Kring’, een groepje van vijf of zes schrijvers rondom de dichter-filosoof Ludwig Klages (1872-1956). Zij deelden verheven, kosmische gedachten over mens en wereld, bloed en bodem, ziel en ras. Van alle zes kosmici wordt het doopceel gelicht.

Vervolgens worden ook een paar mannen onder de loep genomen die juist níet tot de Kring behoorden. Zoals de schrijver Friedrich Huch. We krijgen uitgebreid te horen wat hij zoal in zijn mars had. Hij zwom graag lange afstanden en was een fanatieke fietser. Hij zat, lezen we, ‘altijd op zijn rijwiel’ en stapte daar ‘slechts met tegenzin vanaf’. Maar hij was ook een verdienstelijk kunstfluiter, imitator en trekharmonicaspeler. Dit laatste trouwens alleen ‘’s avonds in de schemering’. Waarom moeten we dit allemaal weten van een figuur die in het stuk verder niet meer voorkomt?

De echte twee hoofdpersonen van de kroniek zijn Ludwig Klages en Theodor Lessing (1871-1933). Zij raakten op het gymnasium in Hannover innig bevriend, maar groeiden later, in München, steeds verder uit elkaar. Na veertien jaar werd de vriendschap door Klages, die steeds openlijker blijk gaf van zijn antisemitisme, per brief opgezegd.

‘De jood’, en dus ook de arts-filosoof Lessing, was in zijn ogen niet alleen een gewone dief, maar ook ‘de vampier van de mensheid’. Geen wonder dat zijn geschreven portret, naarmate het boek vordert, er steeds ongunstiger uit komt te zien. Een starre, akelige man, zo begrijpen we, die zich ook nog eens onhelder wist uit te drukken.

Het hoogtepunt van dit boek vormt de levensbeschrijving van Theodor Lessing, die gelukkig niet als een heilig boontje wordt afgeschilderd. Hier treedt Ten Berge eindelijk uit de duffe schaduw van de boerenbaron en lijkt hij meer namens zichzelf te spreken. Na een vreselijke jeugd met liefdeloze ouders en na een schooltijd vol pesterijen, vond Lessing zijn draai als schrijver, journalist, leraar, echtgenoot en vader. Bijzonder levendig zijn de episoden die zich afspelen in een lazaret in Hannover, waar Lessing zich tijdens WO I vrijwillig aanmeldde om gewonde soldaten te verplegen.

Spek en bonen

Een verhaal apart is ook het rechtbankproces dat Lessing in 1924 bijwoonde als verslaggever van Das Tagebuch en waarvan Ten Berge op zijn beurt uitgebreid verslag doet. Hij laat goed zien hoe seriemoordenaar Fritz Haarmann met zijn charmante optreden steeds weer de aandacht weet te krijgen van de rechter, terwijl de wanhopige ouders van de vermoorde kinderen er voor spek en bonen bij zitten. De toon is in dit Lessing-gedeelte luchtiger, de woorden zijn minder plechtstatig, het verhaal is spannender en het amusementsgehalte ligt dus meteen een stuk hoger.

Het eind van het lied is onvermijdelijk tragisch. Eerst keerde Ludwig Klages zich tegen hem, en later ook zijn studenten, zijn collega’s en de nationaal-socialistische machthebbers. Het leven in Duitsland werd Lessing onmogelijk gemaakt. Hij vluchtte in 1933 met vrouw en kind naar Tsjechoslowakije. Daar werd hij niet veel later door een paar Sudeten-Duitse huurlingen doodgeschoten.