Taal verandert, dan maar geen les

Het argument dat de taal toch verandert, wordt gebruikt als smoes om niet goed les te geven, vindt Martin Slagter.

Onder de titel ‘Mijn taal en ik’ besteedde NRC Handelsblad vorige week aandacht aan taalverandering. De bijdragen gingen over de steeds grotere verschillen tussen Nederlands en Vlaams, over beschaafd en onbeschaafd Nederlands, over de verengelsing van het Nederlands en over taalverwerving.

Hoe interessant ik het verschijnsel ‘taalverandering’ als neerlandicus ook vind, vanuit educatief perspectief zou ik er graag een kritische kanttekening bij willen plaatsen. Deze heb ik in de diverse artikelen node gemist.

Taalverandering wordt mij iets te gemakkelijk gebruikt als argument om het belang van gedegen taalonderwijs te relativeren. Het zou weinig zin hebben om jongeren tot in detail te leren wat goed en fout Nederlands is, aangezien wat nu fout is – ‘hun hebben’ – straks misschien goed Nederlands is. Dus wat zou je je nog druk maken?

Met ‘taalverandering’ worden doorgaans veranderingen in woordenschat bedoeld. Woorden als ‘twitteren’, ‘swaffelen’ en ‘facetimen’ komen erbij. Verouderde woorden verdwijnen. Daarom verschijnt er om de zoveel jaar een nieuwe uitgave van het Groene Boekje, geüpdatet naar het actuele vocabulaire.

Wat stijl en grammatica betreft, verandert er door de jaren heen evenwel vrijwel niets. In ruim dertig jaar voor de klas ben ik slechts één echte taalverandering tegengekomen: het woord ‘nachecken’. Tot 1995 gaf ik dit woord altijd als standaardvoorbeeld van een contaminatie van ‘nagaan’ en ‘checken’. Sinds 1995 is ‘nachecken’ daarentegen correct Nederlands en is het opgenomen in zowel het Groene Boekje als in Van Dale.

Al jaren voorspellen taalkundigen dat ‘hun’ als onderwerp binnen afzienbare tijd correct Nederlands zal zijn. ‘Hun zeggen dat ook’ is dan een correcte Nederlandse zin. Het probleem met dit soort voorspellingen is dat er nooit bij vermeld wordt wanneer deze verandering zich ongeveer zal voltrekken. Is dat over vijf jaar, over vijfentwintig jaar, of over honderd jaar? Niemand die het weet. En hoe weten we dat deze verandering zich voltrokken heeft? Is dat het geval als Jan Renkema er melding van maakt in zijn Schrijfwijzer – en is ‘zij zeggen dat ook’ dan fout?

Van meer recente datum is de voorspelling dat ‘het’ als lidwoord op termijn zal verdwijnen. Op welke termijn, zou ik graag willen weten. Anders kun je helemaal niets met deze informatie, zeker niet in een educatieve setting. Zonder termijn werkt zo’n voorspelling zelfs demotiverend. Je kunt lerende jongeren toch niet voorhouden dat het helemaal niet erg is dat zij ‘hun hebben’ en ‘de boek’ zeggen, omdat dat vanzelf correct Nederlands wordt? Moeten ze daarop soms wachten en voorlopig maar niet solliciteren? Wie nu in een sollicitatiebrief schrijft dat hij voor ‘de sollicitatiegesprek’ hoopt uitgenodigd te worden, kan zo’n uitnodiging wel vergeten. Jongeren hebben er recht op dat ze hun moedertaal correct aangeleerd krijgen.

Volgens taalgeleerde Joop van der Horst zal de standaardtaal op termijn verdwijnen, al kan dat nog wel een paar honderd jaar duren. Wat moet je met zo’n voorspelling? Relativeert deze het belang van de bestaande standaardtaal? Dit lijkt me niet. Je kunt er niets anders mee doen dan met de voorspelling dat de zon op termijn zal uitdoven en al het leven op aarde zal verdwijnen – naast je neerleggen.

Mensen die het verschijnsel ‘taalverandering’ benadrukken, lijken dit vaak te doen vanuit een probleem met taalregels en taalonderwijs, maar zonder normativiteit kan er geen sprake zijn van taal. Dit heeft filosoof Ludwig Wittgenstein overtuigend aangetoond met zijn private language argument. Een privétaal is geen taal. In het onderwijs gaat het erom dat je jongeren een norm voorhoudt en hun onderscheid leert te maken tussen goed en fout, tussen kwaliteit en het gebrek eraan. Met een laisserfairehouding van ‘alles is goed’ doen we leerlingen tekort.

Martin Slagter is docent Nederlands, journalistiek en filosofie.