Stapel op grens van zelfhaat en narcisme

Non-fictie

Diederik Stapel: Ontsporing. Prometheus, 315 blz. € 18,90 ***

Dat Diederik Stapel goed is in verhalen vertellen, blijkt uit het woensdag gepubliceerde eindrapport-Levelt over Stapels omvangrijke wetenschapsfraude. Het blijkt ook uit zijn boek, dat gisteren verscheen: een vakkundig geschreven kroniek van eerzucht en publieke val. Het openingshoofdstuk, waarin Stapel bezweet en opgejaagd door Zwolle en Groningen rijdt op zoek naar locaties in universiteitsgebouwen waar hij gefingeerde onderzoeken kan situeren, kan zo verfilmd.

Stapel erkent volmondig dat hij ‘de boel bij elkaar heeft gelogen’, en noemt zichzelf ‘een meesterfraudeur’ en ‘een illusionist’. Anders dan het rapport-Levelt betoogt, schetst hij zijn werkwijze als heel achteloos. „Toen het eenmaal zover was, was het heél, heel, heel makkelijk.” Dozen met vragenlijsten kiepert hij in papierbakken. ’s Avonds laat, met een kop thee erbij, zit hij eindeloos zijn gefingeerde, aan de eindresultaten aangepaste data ‘in te kloppen’ op zijn laptop. Hij wordt dik doordat hij de zakjes M&M’s in zijn auto, bestemd voor imaginaire proefpersonen, één voor één opeet.

Dit boek is geen verdediging, schrijft Stapel in het voorwoord. Maar dat is te stellig uitgedrukt. Hij verweert zich fel tegen de karakteranalyse van zijn persoon in het rapport-Levelt als zou hij een gewetenloze wetenschapper zijn. Die conclusie is, schrijft hij, ‘een typische Stapel: veel verhaal en weinig data’. Bij navraag bleek volgens Stapel dat de commissie geen geaccordeerde gespreksverslagen of opgenomen interviews kon overleggen waarin collega’s dit zeiden.

Een meer tersluikse vorm van verweer zit in het zelfportret dat Stapel geeft. De fraude kwam voort uit een ‘toxische combinatie’ van zijn persoonlijkheid en de omstandigheden, zoals de prestatiedruk op universiteiten en de snelle, loze experimenten in de sociale psychologie.

Stapel wilde acteur worden en schreef als twintiger filmscenario’s. Hij wilde graag regisseur zijn, maar ‘daar had hij het lef niet voor’. Hij is onzeker, schrijft hij, heeft constant bevestiging nodig. Na zijn inaugurele rede vraagt hij zijn vrouw nog weken ‘om de drie uur’ of het wel een goed verhaal was. Hij wil graag scoren en voelt zich middelmatig: ‘Ik was geen Mozart, ik kwam niet eens in de buurt van Salieri.’ Daarnaast had hij een sterke behoefte de wereld mooier en overzichtelijker en zijn medeonderzoekers gelukkiger te maken. En toen hij eenmaal met frauderen begonnen was, werd hij een junk. Schitteren werd een verslaving. Stapel fraudeerde niet uit slechtheid maar uit onzekerheid, zwakte en goedheid, wil hij maar zeggen.

Slap, stiekem, bang. Stapel is de gêne duidelijk voorbij, maar schept de modder met zo veel gusto op zijn hoofd dat zelfhaat een variant van narcisme wordt. Verguis of Vergeef mij, maar Zie mij. Lees mij.

Onterecht misschien om een autobiografisch boek het verwijt van narcisme te maken. Maar de auteur blaast zich hier en daar op tot pathetische proporties. „Het was de kleine blonde dood”, schrijft hij, refererend aan Boudewijn Büchs boek over de dood van diens naar later bleek verzonnen zoontje. Hij beschrijft unverfroren hoe hij zijn kleine dochters met zijn leed verplettert als hij zegt dat ze beter af zijn zonder hem.

Een mea culpa of een nieuwe egomane act met het personage Stapel in de hoofdrol? Dat oordeel wisselt per passage en denkelijk ook per lezer. Dit boek is uiteindelijk allebei en daarom geeft het waarschijnlijk een redelijk adequaat beeld van hoe de hoofdpersoon tot zijn daden kwam. Diederik Stapel blijkt een man die niet alleen zijn onderzoeken, maar ook zichzelf steeds weer moet verzinnen.

Bijlage Boeken: Ontspoorde wetenschap: pagina 6