Sjaco hield stand

Conny Braam: Sjaco. Bertram + De Leeuw, 397 blz. € 19,95

Robin Hood of Willem Holleeder? De op 6 augustus 1718 op de Dam in Amsterdam op het schavot wreed terechtgestelde Jacob Frederik Muller, bijgenaamd Sjaco, was een beroemde crimineel. Niet voor het eerst heeft hij het tot romanpersonage gebracht. Jacob van Lennep, Justus van Maurik en anderen gingen Conny Braam voor. Zijn beroemdheid had de van inbraken, moord en bedelarij beschuldigde Sjaco te danken aan de onverzettelijkheid waarmee hij bleef ontkennen ondanks de zware tortuur waaraan justitie hem onderwierp: voor een veroordeling was vanouds een bekentenis nodig. Daarom bracht zijn zaak het tot het Hof van Holland en de Hoge Raad.

De hoofdpersoon in de roman is niet Sjaco zelf, door Braam mechanisch afgebeeld als slachtoffer van zijn tijd, volksheld en monument van standvastigheid, maar de verteller van diens geschiedenis, Tobias van Thuynhuizen, een sukkelig renteniertje van de Keizersgracht. Dankzij zijn verwantschap met hoofdofficier Ferdinand van Collen is hij getuige van de lange rechtsgang en kan hij Sjaco in de cel bezoeken.

Tobias wordt aangestuurd door zijn welgestelde buurvrouw Machteld, de tweede hoofdpersoon. Zij ontpopt zich tot een 18de-eeuwse Conny Braam, een feministische schrijfster (van pamfletten in dit geval) die partij kiest voor de armen hier en de slaven in de West. Moedig ontmaskert zij de regenten en rijke kooplieden als rechtsschenders, uitbuiters van het volk en als gewetenloze profiteurs van de slavenhandel.

Een nogal rechtlijnige geschiedenis dus, die balanceert op de rand van het anachronisme en daar soms overheen valt. De verteller gebruikt bijvoorbeeld begrippen als ‘romantiseren’ en ‘goedkope romantiek’, maar in die termen kan een rentenier in 1716 niet gedacht hebben.

Het grote voorbeeld – van buurvrouw Machteld en van Conny Braam – is de Britse schrijfster Aphra Behn die in 1688 de roman Oroonoko over een als slaaf naar Suriname ontvoerde zwarte Afrikaanse prins heeft geschreven. Sjaco krijgt Oroonoko te lezen (dat moet de Duitse vertaling zijn geweest), maar de identificatie tussen deze twee personages doet nogal gekunsteld aan.

Conny Braam heeft met Sjaco een vlot leesbaar verhaal geschreven. Maar zij legt het er te dik op en neemt de lezer te veel bij de hand. ‘Wat was er toch met me gebeurd?’ vraagt de verteller. En over zijn buurvrouw: ‘Wat dreef haar? Rancune, een hoger doel of gewoon dwarsheid?’ Zulke vragen moet een schrijver de lezer zélf laten stellen.