Mest de Augiasstal helemaal uit

Veel meer fraudeurs zijn bestraft dan eerder door universiteiten bekend is gemaakt. Dat blijkt uit een nieuwe studie, bijna een standaardwerk.

Er was eens een Brabants dorpje, waar in 1879 een houten kerkje afbrandde. De brand was volgens de bewoners een straf van de plaatselijke patroonheilige, omdat zij hadden meegedaan aan een ritueel van een nabijgelegen klooster. Bij dit ritueel waren de relieken en beelden van de schutspatroon in het openbaar ‘vernederd’.

Cultureel antropoloog Mart Bax reconstrueerde een eeuw later het opvallende ritueel, dat volgens hem onderdeel was van een machtstrijd in de katholieke kerk. Hij had daarvoor maanden veldwerk gedaan bij het dorp en de kloosterorde, die hij schuilnamen gaf. Er was slechts één probleem, zo bleek later overtuigend uit onderzoek door experts in volkenkunde en kerkrecht: het dorp en de kloosterorde konden onmogelijk echt (hebben) bestaan.

Het verhaal over emeritus hoogleraar Bax is exemplarisch voor het boek Ontspoorde wetenschap over wetenschapsfraude: onthullend, scandaleus, goed uitgezocht en rijk aan kleurrijke details. De commissie-Lévelt velde afgelopen week in zijn onderzoeksrapport niet alleen een keihard oordeel over de frauderende psycholoog Diederik Stapel, maar ook over de vaak bedenkelijke mores in diens vakgebied. Onderzoeksjournalist Frank van Kolfschooten (1959) biedt daarbij de context door de grondige beschrijving van tientallen bekende en tot dusver onbekende – vaak hilarische – fraudegevallen in de Nederlandse wetenschap.

Standaardwerk

Van Kolfschooten deed al eerder baanbrekend werk met zijn Valse vooruitgang (1993), waarin wetenschapsfraude in Nederland voor het eerst echt in beeld werd gebracht. Tien jaar eerder was voor de Amerikaanse wetenschap door William Broad en Nicholas Wade hetzelfde gedaan in Betrayers of the Truth, dat nog altijd geldt als een standaardwerk. De affaire rond meesterfraudeur Stapel, die voor meer dan vijftig wetenschappelijke artikelen de onderzoeksgegevens heeft verzonnen, noopte Van Kolfschooten om zijn boek te actualiseren.

Dat heeft hij heel grondig gedaan. Hij deed een e-mailenquête onder meer dan 8.000 wetenschappers, dook in de geanonimiseerde en vaak zeer beknopte uitspraken van onderzoekscommissies en speurde in de overzichten van ‘retractions’, wetenschappelijke artikelen die zijn teruggetrokken. Het vaak knappe speurwerk heeft een overzicht opgeleverd, waaruit onder meer blijkt dat er veel meer fraudeurs zijn bestraft dan de universiteiten eerder dit jaar in deze krant bekend maakten.

Een ander resultaat is dat de VU nu eindelijk een onderzoek is gestart naar zijn oud-hoogleraar Bax. Want niet alleen zijn er grote twijfels over het dorpje in Brabant, maar ook over een Kroatisch dorpje waar Bax begin jaren negentig veldwerk zou hebben gedaan. Voor de door hem beschreven ‘bloedvete’, waarbij meer dan honderd mensen zouden zijn gedood, bestaat volgens vele (lokale) deskundigen geen bewijs.

Het geval-Bax toont de kracht en de zwakte van Ontspoorde wetenschap. De kracht zit hem in de bijna obsessieve waarheidsvinding van Van Kolfschooten, die in elke zaak elke betrokkene probeert te spreken en elk document leest. De zwakte zit hem in de opbouw, waarbij de vele gevallen steeds apart worden beschreven en gelardeerd met beschouwingen over het wetenschapsbedrijf. Daardoor duiken dezelfde observaties en zegslieden soms op verschillende plekken op en komt Van Kolfschooten niet toe aan het blootleggen van patronen.

Zo schreef een oud-promovenda van Bax al ver voor de ontmaskering van haar leermeester: ‘Net als in detectives [...] ontpopt hij zich in zijn artikelen steeds meer als een literair personage dat op zoek is naar de oplossing van zijn antropologische probleem.’ Het begrip ‘literair personage’ lijkt ook van toepassing op de medicus Stolk, die in de jaren zestig boeken schreef over zijn (verzonnen) avonturen in Zuid-Amerika. En ook op Stapel, die ooit droomde van een carrière als acteur en uiteindelijk een bouwwerk van bedrog ensceneerde rond zijn rol als briljante wetenschapper. De overeenkomsten roepen de vraag op: zijn er archetypische fraudeurs in de wetenschap? Van Kolfschooten stelt de vraag niet eens.

Privacyredenen

Wel levert hij veel materiaal, waaruit een lezer zelf een analyse kan destilleren. Zo lijkt de antropologie extra kwetsbaar voor bedriegers door het gebruik om plaatsen en zegslieden om privacyredenen onherkenbaar te maken. En zucht de psychologie door de jacht op spectaculaire resultaten, waarbij onderzoekers hun data – aldus methodoloog Eric-Jan Wagenmakers – ‘martelen tot ze bekennen’.

Het is ondanks de affaires rond Stapel en zijn vakgenoten Smeesters en Sanna die dit jaar tegen de lamp liepen, de vraag of de psychologie inderdaad een extra probleem heeft – zoals Van Kolfschooten suggereert. Uit de internationale literatuur blijkt dat de fraude het grootst is onder biomedische wetenschappers, die ook veelvuldig figureren in Ontspoorde wetenschap. Dit komt mogelijk doordat arts-onderzoekers soms hun onderzoek versnellen in het belang van hun patiënten, suggereert de Amerikaanse integriteitsexpert David Goodstein in On Fact and Fraud (2010), waarschijnlijk het beste boek over wetenschapsfraude.

Mogelijk speelt ook een rol dat wetenschappers tegenwoordig onvoorstelbaar veel artikelen publiceren. Een enquête onder Nederlandse medici leerde begin dit jaar dat twee van de vijf ondervraagden door de publicatiedruk twijfelen aan de validiteit van onderzoeksresultaten. ‘Er is weinig reden om aan te nemen dat wetenschappers in andere vakgebieden minder druk ervaren’, schrijft Van Kolfschooten. Die reden is er wél. Universitaire medische centra zijn ongeëvenaarde publicatiefabrieken, waar een enkele onderzoeker zelfs om de werkdag een artikel schrijft.

Het besef dat het zo niet langer kan, lijkt ook wel doorgedrongen tot de wetenschappelijke wereld. Sinds de affaire-Stapel hebben de universiteiten en andere wetenschappelijke instellingen tal van maatregelen genomen om de gedragscode niet alleen te handhaven, maar ook te laten verinnerlijken. Van Kolfschooten noteert optimistisch: ‘Academisch Nederland is klaarwakker.’ De vraag is alleen voor hoe lang, want bij (vermoedelijke) fraudegevallen wordt de Augiasstal zelden uitgemest. Onderzoeksrapporten worden zelden openbaar en fraudeurs komen geregeld goed weg. Gerespecteerde wetenschappers als Paul Schnabel en Pierre Vinken werden respectievelijk belasterd en voor de rechter gesleept, toen zij collega’s op plagiaat betrapten. In Delft werden klokkenluiders onlangs nog geïntimideerd toen zij plagiaat in een proefschrift aantroffen.

In dat laatste geval bleek trouwens ook dat de opvattingen over en de definities van plagiaat niet overal in Nederland hetzelfde zijn. Ook is er nog steeds onduidelijkheid over de vraag of publicaties voor een groot publiek aan dezelfde normen moeten voldoen als die voor de wetenschappelijke gemeenschap; officieel wel, in de praktijk vaak toch niet helemaal.

Van Kolfschooten, die overigens veel lezenswaardigs schrijft over plagiaat in al zijn gedaanten, heeft nagelaten in dit soort kwesties echte helderheid te scheppen. Dat zou hij alsnog kunnen doen in een volgende editie, waarin hij ook een meer samenhangende analyse kan geven van fraude en de bestrijding ervan. Dan kunnen ook kleine foutjes worden rechtgezet (Tabaksblat is met één t, Ceausescu heeft een s in het midden, geen c). Als die editie dan in het Engels wordt vertaald, is Ontspoorde wetenschap in een klap een internationaal standaardwerk met ongelooflijk veel leerzame voorbeelden.