Kunstbeschouwing

Mensen horen praten over schilderkunst is altijd vermakelijk. Ik heb hiervan twee voorbeelden.

De journalist Willem Wittkampf, befaamd om zijn interviews in Het Parool, wilde eens van de schilder Willy Boers precies weten hoe het zat met die moderne kunst, want hij bekende daar een beetje moeite mee te hebben, vooral de abstracte schilderkunst, daar kon hij, zoals hij zei „geen chocola van maken.”

Willy Boers ging er eens goed voor zitten. Ik bevond mij op gehoorafstand en kon het gesprek stiekem volgen. Het werd een lang betoog, waar hij van alles bij sleepte, echt begrijpen deed ik het niet en naar ik kon merken, Willem Wittkampf ook niet. Op een gegeven moment haalde Willy Boers de kosmos er bij. Willem hief zijn hand op en onderbrak hem. „Willy, jongen...kosmos?...M’n zak.” Zijn gesprekspartner zweeg beduusd.

Einde van de les.

De volgende. De vroegere cellist van het concertgebouw, George Scager had ook veel belangstelling voor schilderkunst en gaf daarover vaak college in zijn stamcafé, want hij was een geoefende drinker.

Als hij op dreef was hield hij lange betogen over schilders en schilderijen, voor een steeds wisselend gehoor.

In het gezelschap bevond zich ook een beetje eigenwijze student, die, om te laten zien dat hij zoals Karel van het Reve dat altijd uitdrukte „niet van de straat was”, George Scager deze vraag stelde: „Meneer Scager, aan welke voorwaarden moet naar uw mening een goed schilderij voldoen?”

Een veel omvattende vraag waar niet zo een, twee drie een eenduidig antwoord op is te geven. George Scager dacht maar heel even na en zei toen, geheimzinnig kijkend:

„Zeg ik niet.”