Je moet kunnen beledigen of spotten

Het publieke debat. De strijd der ideeën. Ruim anderhalf jaar na de vrijspraak van Geert Wilders staat dat verlichtingsideaal overal in Europa onder druk.

Afgelopen woensdag begon in Amsterdam de strafzaak tegen Robert de J. – een Haagse blogger die in een VPRO-documentaire Arabieren „fervente kontenbonkers” had genoemd. Volgens het Openbaar Ministerie heeft hij zich hiermee schuldig gemaakt aan „het opzettelijk beledigen van een groep mensen”. Eerder dit jaar verwierp een koor van prominente politici de film Onschuld van moslims. Geflankeerd door afgevaardigden uit de islamitische wereld zei Martin Schulz, voorzitter van het Europees Parlement: „Het is noodzakelijk deze film te veroordelen. En ik veroordeel niet alleen de inhoud, maar ook de verspreiding ervan. De film is erg vernederend voor vele mensen over de hele wereld.” Frankrijk veroordeelde de journalist Eric Zemmour nadat hij had gesteld dat „de meerderheid van de drugsdealers Arabier is of zwart”. Een Belgische politicus werd enige tijd geleden veroordeeld tot tien jaar onverkiesbaarheid voor het schrijven van pamfletten waarin werd gewaarschuwd voor „de gevaren van de veroveringslustige islam”.

In Engeland, Denemarken en Oostenrijk zijn vergelijkbare voorbeelden te vinden. Moslims ontzien, de islam omzichtig benaderen – dat is waar rechters en politici voor ijveren via jurisprudentie en publieke verklaringen. Dat Geert Wilders anderhalf jaar geleden werd vrijgesproken, was uitzondering op de regel. Volgens de rechter ging hij eigenlijk „over de rand”. Maar omdat hij politicus was en zijn uitspraken deed in die hoedanigheid kwam hij met de schrik vrij.

Dat onwelkome standpunten worden gecriminaliseerd is verkeerd. Arabieren kontenbonkers? Vergelijkbare dingen worden vrijwel dagelijks beweerd over katholieken – en cabaretiers trekken er volle zalen mee. Ook de verspreiding van een kluchtige film als Onschuld van moslims kan men toch niet serieus willen tegenhouden. De vrijheid om te spotten is een groot goed – en het lijkt me het toppunt van integratie als ook nieuwkomers daar soms het mikpunt van worden.

Serieuzer is de stelling dat Arabieren en zwarten oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteit. Of dat de islam veroveringslustig is. Wie meent dat dit onwaar is, staat het vrij het tegen te spreken. Hoe kunnen we van tevoren weten hoe het zit? Maar zelfs al raakten de uitspraken kant noch wal – waarom zou iemand het niet mogen zeggen? Als je dat verbiedt, dan „dreigt de waarheid een dogma te worden”, zoals de Britse filosoof John Stuart Mill het verwoordde. Als onwaarheden niet meer zijn toegestaan, kunnen ze ook niet worden tegengesproken. Al gauw vergeten we dan wat de argumenten ertegen waren. Een goed voorbeeld is Holocaustontkenning. Laat de ontkenners maar komen. Als we er zo zeker van zijn dat zij ongelijk hebben, wat hebben we dan van ze te vrezen?

De realiteit is dat het debat soms fel wordt gevoerd. Of door mensen die niet genuanceerd formuleren. Maar zoals een bevriende relatietherapeut eens zei: „Koppels die nooit ruziemaken – dat zijn de ergste.” Net als in een echtelijke twist gaan deelnemers aan het maatschappelijk debat soms over de schreef – je gooit een paar borden stuk, je verheft je stem en overdrijft het verwijt. Maar door het uit te spreken, klaart ook de lucht. Juist op die manier wordt onderhuidse haat voorkomen.

Ondertussen is het tamelijk ongeloofwaardig dat individuele moslims door uitingen als die van Robert de J. oprecht zijn gekwetst. Kijk naar de lange tijd die zit tussen de uitzending van de documentaire waarin De J. deze uitspraken deed (september 2010) en de aangifte (april 2011). Hoe waarschijnlijk is het dat de klager al die tijd daadwerkelijk heeft geleden onder de spotternij? Dat hij dat korte tv-fragment maar niet uit zijn gedachten kon zetten en toen na zeven maanden in wanhoop tot aangifte overging?

Hoe oprecht zouden zijn motieven zijn? Of is er sprake van een strategie – van een manier om critici van de islam te intimideren? Daarbij: wie verplichtte hem te kijken naar de documentaire? En gaan we straks ook al diegenen bestraffen die Geert Wilders een NSB’er noemen? Verwachten we van Martin Schulz dat hij bij het uitkomen van – zeg – een nieuwe Life of Brian wederom een veroordeling uitspreekt, ditmaal geflankeerd door twee vertegenwoordigers van het Vaticaan? Met de huidige koers is het einde zoek.

De artikelen over belediging en aanzetten tot haat moeten worden geschrapt uit ons strafrecht. Er moet volledige vrijheid zijn om stelling te nemen of te provoceren, zonder angst voor vervolging. Beledigen en bespotten moeten kunnen, per ongeluk of expres. Het ontkennen van historische gebeurtenissen moet kunnen. Leg de grens bij aanzetten tot geweld. Voor al het andere vertrouwen we op de kracht van argumenten.

Thierry Baudet is jurist, historicus en schrijver.