In den beginne was er de conjunctuur

De Tsjechische econoom Tomas Sedlacek maakt furore met een economische cultuurgeschiedenis die van economie weer een ethische discipline wil maken.

Het materialisme begon met een vijgenblad. Nadat Adam en Eva gegeten hadden van de boom der kennis, kregen ze behoefte om zich te bedekken. En ze wilden iets bezitten om aan die behoefte te voldoen.

Nu we het toch over de Bijbel hebben, Jozef was het eerste personage met een notie van economische conjunctuur. Nadat hij de droom van de farao geïnterpreteerd had over de ze ven vette en de zeven magere jaren, formuleerde Jozef ook de eerste versie van het Keynesiaanse anticyclische begrotingsbeleid. In vette jaren moest de farao graan sparen om de magere jaren door te komen.

Nu wij, relatief gesproken, zelf al een vijftal magere jaren doormaken en in onze handjes mogen knijpen als het bij zeven blijft, zijn in de economische non-fictie vette tijden aangebroken. Het ene na het andere mooie boek verschijnt waarin economie in een bredere context wordt geplaatst. Niet verwonderlijk, want één van de verwijten die de haute finance ten deel valt is dat ze zich heeft losgezongen van de werkelijke wereld. Je zou kunnen zeggen dat ideeënrijke economen en filosofen met hun boeken proberen de financiële luchtballon te verzwaren en zo als het ware terug te trekken naar de aarde.

Na David Graebers Schuld. De eerste 5000 jaar (Boeken, 10.02.12) verscheen alweer een tijdje geleden in vertaling het minstens zo fraaie Economie van Goed en Kwaad van de Tsjech Tomas Sedlacek (1977). Dit boek, van een econoom die op zijn 24ste al adviseur van Vaclav Havel was, en nu werkt als macro-econoom bij de grootste Tsjechische bank en als lid van de Tsjechische Nationale Economische Raad, maakte van de auteur in eigen land een soort popster.

Ook vertalingen in Groot-Brittannië en Duitsland deden het goed. Sedlacek maakte rond zijn boek een theatershow waarmee hij tot in Londen succes boekte. En dat terwijl het boek eruit ziet als een studieboek en allerminst bestaat uit oneliners. Wel heeft Sedlacek het docentenvermogen om zijn lezers echt op sleeptouw te nemen en samen met hen het materiaal te onderzoeken. De Yale Economic Review bestempelde Sedlacek tot een van de vijf ‘young hot minds’ in de economie.

In zijn boek wil Sedlacek de axioma’s van de economie ter discussie stellen. Niet door ze aan te vallen of te ontmaskeren, zoals polemischer auteurs hebben gedaan (in Nederland Hans Achterhuis met De Utopie van de Vrije Markt, in het buitenland Michael Sandel met What money can’t buy of Naomi Klein met The Shock Doctrine), maar door te laten zien hoezeer het memen zijn, culturele constructies die een wereldbeeld in zich dragen. Groei, verlicht eigenbelang, de onzichtbare hand van de markt – het zijn delen van ons culturele bezinksel. Dat betekent dat we ze ook met afstand kunnen bekijken om te zien welke waarden eraan ten grondslag leggen. Voor Sedlacek is economie dus een normatieve discipline, geen beschrijvende. Ook in het streven naar waardenvrij zijn ligt al een waarde besloten, constateert hij.

Economie is niets anders dan een verhaal over de wereld dat wij onszelf vertellen. Om dat duidelijk te maken buigt Sedlacek zich eerst met een economische bril over wereldliteratuur en religie, en wijst hij vervolgens mythische elementen aan in de huidige economische praktijk. Zijn economische cultuurgeschiedenis maakt economie aanlokkelijk voor alfa’s, en zet tegelijk voor economen de ramen open.

Uit het Sumerische Gilgamesj-epos destilleert Sedlacek de notie dat ‘menselijkheid’ – vriendschap, liefde, het opvoeden van kinderen – als hinderlijk geldt voor arbeid en economische efficiency. Koning Gilgamesj zweept mannen namelijk op de stad Uruk te omheinen met een muur die zijn weerga niet kent, en ondertussen mogen zij hun vrouwen niet zien.

De Hebreeërs van het Oude Testament vervingen het cyclische van de oertijden door het lineaire tijdsbegrip, met aan het eind een vorm van verlossing. In deze ‘matrix’ leven wij nu nog steeds, schrijft Sedlacek: ons economisch vooruitgangsdenken (‘na de volgende bezuinigingen komt het goed’), is niets anders dan de seculiere versie van het verlossingsverhaal.

Ook zagen de Hebreeërs in dat schulden maken weliswaar nodig was voor vooruitgang, maar tegelijkertijd een gevaar was. Vandaar hun stelsel van tienden, aalmoezen en jubeljaren. Op ieder 49ste jaar volgde een jaar van vergeving, waarin schulden werden kwijtgescholden, schuldslaven bevrijd, en waarin land werd teruggeven aan de oorspronkelijke eigenaren. Het voorschrift kwam neer op het eerste sociaal-economische vangnet en de eerste anti-kartelmaatregelen, concludeert Sedlacek.

De Franse filosoof Descartes en de Brits-Nederlandse denker Mandeville nemen een centrale plaats in het boek in. Descartes (‘de monteur Descartes’, schrijft Sedlacek) vanwege zijn mechanische wereldbeeld, waarin Sedlacek de kiem ziet voor het huidige technocratische begrip van economie. Mandeville omdat Sedlacek overtuigend aantoont dat niet Adam Smith, maar diens antagonist degene was die het najagen van eigenbelang als maatschappelijke motor aanwees.

Het was Mandeville (1670-1733) die in zijn lange gedicht De fabel van de bijen (een nieuwe vertaling werd besproken in Boeken, 26.09.08) de sinds het Oude Testament bestaande koppeling van deugd en goed economisch handelen als het ware omgekeerd monteerde. Niet deugd, maar ondeugd, zoals het najagen van eigenbelang deed de maatschappij bloeien. ‘Zo bezien is niet Adam Smith, maar Bernard Mandeville de allereerste moderne econoom,’ schrijft Sedlacek.

Dat Adam Smith nu vaak wordt voorgesteld als de architect van het verlichte eigenbelang en de onzichtbare hand van de markt die dat omzet in publiek voordeel, tekent het vernauwde hedendaagse begrip van economie. Want nauwkeurig en met uitgebreide citaten laat Sedlacek zien dat Smith het beeld van de ‘onzichtbare hand’ drie keer gebruikte, steeds met een andere betekenis. In The Wealth of Nations in de betekenis die wij nu kennen, maar in zijn ethische hoofdwerk The Theory of Moral Sentiments juist om aan te geven dat de mens ook tot collectiviteit, rechtvaardigheid en herverdeling geneigd is. (De derde keer was in Astronomy). Dit vaak als problematisch ervaren gegeven van de ‘twee Smiths’, brengt Sedlacek juist tot de conclusie dat de mens beide zielen in één borst verenigt en diverse drijfveren heeft. Een economie die daarbij past gaat daarom niet enkel uit van groei en nutsmaximalisatie, maar zoekt een balans tussen redelijke groei en rechtvaardigheid.

Zolang het gaat om het schetsen van het verleden is Sedlacek zeer op dreef. Korter door de bocht is hij als het gaat om veroordelen – hij laat in zijn woordkeus, bijvoorbeeld als het om consumptie gaat, duidelijk doorschemeren waar hij zelf staat. In een mooie passage over schuld omschrijft hij schuld bijvoorbeeld weinig neutraal als ‘geld dat energie uit de toekomst zuigt’. Hij is hier zo druk mee dat hij aan het verklaren van paradigmawisselingen helaas niet meer toekomt. Zo beschrijft hij dat zowel de Hebreeërs als Aristoteles terughoudend waren als het ging om krediet, terwijl de moderne samenleving niet meer kan bestaan zonder. Helaas lezen we niet hoe die aardverschuiving tot stand kwam, niets over, zeg, de reformatie die het religieus moralisme iets minder absoluut maakte. Of iets over de omslag van een feodale naar een mercantilistische samenleving, wat het logischer maakte efficiency voorrang te geven op moraal, en de duivel van de ondeugd voor de ploeg van de economie te spannen.

De analyse wordt dus node gemist, maar Sedlaceks cultuurhistorisch vertoog is wel effectief: je krijgt oog voor de benardheid van de economische matrix waarin onze eigen levens zich afspelen. De grote vragen zijn door de eeuwen heen min of meer hetzelfde gebleven, maar elke tijd formuleerde zijn eigen antwoorden. Hoe verhouden doelmatigheid en menselijkheid zich tot elkaar? Kunnen nut en deugd samenvallen? En wat wil het zeggen dat wij noties die we altijd afwezen, zoals onmatigheid, in de moderne tijd zijn gaan omhelzen?

Deze tijd vraagt duidelijk om nieuwe antwoorden. In de politiek is daarvoor gezien de crisis geen ruimte, maar achter de schrijftafel wel. In die geest komt Sedlacek met het idee van een Sabbatseconomie: eens in de zoveel jaar een reset van het systeem waarbij schulden worden kwijtgescholden en verliezen genomen.

Ook pleit hij voor ‘de regel van Jozef’. Het begrotingstekort van EU-landen zou in magere tijden mogen oplopen tot meer dan drie procent, mits ze ook verplicht worden om in goede jaren een overschot van ten minste drie procent aan te houden, in plaats van door te gaan met schulden maken bij economisch hoogtij (zoals veel landen tussen 2001 en 2008 hebben gedaan). In plaats van het maximale BBP zou minimale schuld het economisch streven moeten zijn. Klinkt mooi, maar regeringen die nu al vijf jaar bezig zijn de rommel van het laatste economische feestje op te ruimen, hebben wel wat anders aan het hoofd.

De verdienste van dit boek ligt dan ook niet in het economisch advies voor de volgende Eurotop, maar in het op losse schroeven zetten van ons economisch stelsel. Rode draad is het verbreken van de band tussen ethiek en economie in de 18de eeuw, niet voor niets het tijdperk dat veel moderne economiehandboeken als beginpunt nemen. Sedlacek herstelt die pre-moderne ethisch-economische traditie met dit boek, dat vooral in de cultuurhistorische traditie van de alfawetenschappen past. Zo wordt economie weer een onderzoek naar wat een goed leven is, in plaats van een methode voor maximalisering van het BBP.

De opvatting dat economie het fundament is van alle andere aspecten van een maatschappij is, zoals Vaclav Havel terecht in het voorwoord schrijft, in wezen marxistisch. ‘Wie enkel en alleen een econoom is, wordt nooit een goede econoom,’ schrijft Sedlacek zelf. Met dit boek geeft hij op fraaie wijze het goede voorbeeld.