‘Het werd tijd dat dit verhaal verteld werd’

De film Tula the Revolt, die momenteel op Curaçao wordt gedraaid, werpt licht op de Grote Slavenopstand op het eiland van 1795.

Van boven naar beneden: Danny Glover (met strohoed) is één van de grote namen in Tula the Revolt; Jeroen Krabbé als gouverneur De Veer; beelden uit de door Tula geleidde opstand

Vijftien kilometer buiten Willemstad, in de heuvels in het westen van Curaçao, komt de slavernij weer tot leven. Op de voormalige plantage van Cas Abou lopen als zwarte slaven en witte meesters verkleedde acteurs door elkaar. De asfaltweg die de heuvels in tweeën deelt, is de enige spelbreker in een landschap dat verder in ruim tweehonderd jaar tijd niet veranderd is.

Curaçao vormt deze maand het decor van Tula the Revolt; een internationale, Engelstalige filmproductie gemaakt door Nederlanders en Curaçaoënaars. De film vertelt het voor velen onbekende verhaal van de Grote Slavenopstand op Curaçao in 1795, geleid door Tula.

Aan de onbekendheid van deze Curaçaose held gaat Tula the Revolt verandering brengen. Dat is de ambitie van regisseur Jeroen Leinders en cameraman Dolph van Stapele. Een internationale filmcast moet die droom verwezenlijken. Bekende namen als Jeroen Krabbé en Derek de Lint moeten het Nederlandse publiek naar de bioscoop lokken. Tweevoudig Gouden Kalf-winnaar Jeroen Willems, die een plantagehouder speelt in de film, zegt daarover: „De rol van de Nederlanders in de slavernij is geen mooie, we hebben lelijke dingen gedaan. Het wordt tijd dat dat een keer gezegd en vooral getoond wordt.”

Danny Glover (66), bekend van de Lethal Weapon-reeks en The Color Purple, moet de film aantrekkelijk maken voor de Amerikaanse markt. De voorouders van de Amerikaanse acteur waren slaven. Tijdens een pauze rust hij even uit en vertelt: „De moeder van mijn opa is geboren in 1853, als slaaf. Toen ik anderhalf jaar oud was, leefde ze nog en wiegde mij in haar armen in slaap. Zo ‘vers’ is de geschiedenis van slavernij nog.”

Curaçao kijkt met spanning uit naar de op historische feiten gebaseerde slavenfilm. In 2013 is het precies 150 jaar geleden dat de slavernij door Nederland werd afgeschaft. De Nederlandse regisseur Jeroen Leinders wil met zijn speelfilm de herdenking onder de aandacht van het grote publiek te brengen. Maar op Curaçao is niet iedereen blij met de Nederlandse bemoeienis met het verleden. Leinders: „Ik besef dat de film wordt gemaakt op een moment dat de spanningen op Curaçao tussen wit en zwart, tussen de nakomelingen van de slavendrijvers en de slaven hoog oplopen.”

Nederland, de voormalige kolonisator, verstevigde deze zomer zijn greep op het bestuur van het autonome Curaçao door het land onder curatele te stellen. Helmin Wiels, leider van de onafhankelijkheidspartij Pueblo Soberano won vervolgens de verkiezingen in oktober. Hij hield zijn achterban voor dat de ‘body bags’ (lijkzakken) klaar liggen voor al die Nederlanders die zich komen bemoeien met het bestuur van het eiland. Het Curaçaose volk lijkt zich massaal te keren tegen Nederland.

Maar de gevoeligheid van het thema slavernij en de wit-zwartverhoudingen op het eiland zijn voor Jeroen Leinders juist een extra uitdaging om het verhaal van Tula te vertellen. „We hebben net een kort voorfilmpje gemaakt. Iedereen die daar naar kijkt wordt gegrepen door de emotie en compassie voor de tragiek van de slaven. En in die emotie verenig je mensen; daar komt geen wraak uit voort: iedereen vindt dat verschrikkelijk”, zegt Leinders.

Toch zal Leinders voorzichtig moeten manoeuvreren om de film geaccepteerd te krijgen bij Curaçaoënaars. Hij raadpleegde vooraanstaande Curaçaose historici en cultuurkenners en werkte met hen een hypothese uit dat Tula eigenlijk geen opstand wilde. Zijn aanhang werd echter opgehitst door het harde optreden van het Nederlandse gezag en eiste van Tula dat hij de leiding nam: de in eerste instantie vreedzame tocht naar Willemstad ontaardde in een gewelddadige opstand.

Het kan Leinders en Van Stapele op stevige kritiek komen te staan in de gepolariseerde samenleving van Curaçao. Twee witte filmmakers die een eigen invulling geven én een gedramatiseerd beeld creëren van een held die door de zwarte politici wordt geclaimd voor politiek gewin. „Mensen hebben ons afgeraden om aan de film te beginnen. Te gevaarlijk vonden ze”, zegt Leinders.

Op de set is daarvan niets te merken. Terug in het basiskamp achter landhuis Cas Abou, laat Dolph van Stapele een gemonteerde preview zien. Het blijft na afloop minutenlang stil. Uit de beelden spreekt een enorme afkeer tegen de onrechtvaardigheid van slavernij en compassie met de strijd tegen onderdrukking. Die ‘simpele’ boodschap, denkt Leinders, begrijpt iedereen in het Curaçao van 2013.