Gespruzie

Ik zit in de metro en ik lees: “Vooral in de liefde komen gespruzies voor” … “Voor je het weet zit je met zichtbaar kloppende aderen een ‘gesprek’ te voeren, en zoek je met een hand alvast naar een stuk serviesgoed dat je eventueel zou kunnen stukgooien, om je argumenten kracht bij te zetten. Dit is een gespruzie,” aldus Paulien Cornelisse.

Ik kende het woord nog niet, toch beheers ik het beter dan ik zou willen toegeven. Vooral dat servies kwam me bekend voor. Maar uit een verstandig soort materialisme grijp ik altijd mis en kies ik uiteindelijk voor de deur om mee te smijten. Op die manier zijn er trouwens heel wat lijstjes op de grond kapot gevallen.

Laatst had ik weer een gespruzie. Het is waarschijnlijk dat het woord nog zo vers in mijn hoofd zat dat ik ineens de waanzin van het tafereel in zag: Twee geliefdes die elkaar vijf minuten geleden nog vertelden hoe groot hun liefde wel niet is, die in een moment dat ze allebei ontglipt is veranderen in twee vijanden met gevaarlijke munitie: breekbare borden waar sentimentele herinneringen aan kleven, een deur die na de laatste gespruzie al wat losjes in zijn sponningen hing, een waterpistool dat de achtjarige Antoine van drie hoog heeft moeten laten liggen en, niet te vergeten, misschien wel het akeligste geschut van allemaal: woorden.

‘Je bent een monster!’ ‘Kijk jezelf nou! Klein kind! Oh moet je nu weer huilen?!’

En ergens tussen die woorden moest ik denken aan wat ik die middag gelezen had in de metro en aan hoe Cornelisse haar borden en deuren smijt sinds ze op het geniale gespruzie is gekomen. Mij lukte het niet meer om naar mijn munitie te grijpen: ik kon mijn boze zelf niet meer serieus nemen. Het spottende en zo juiste gespruzie had mij een ware ruzie bespaard. Dankjewel Cornelisse.