Gedienstig aan het prachtboek

Voor het jubileum van Athenaeum-Polak & Van Gennep verscheen een voorproef van Johan Polaks op handen zijnde biografie. Hij bouwde aan een literaire schatkamer.

Als er iemand een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de Nederlandse boekcultuur dan is het wel de excentrieke uitgever, classicus en mecenas Johan Polak (1928-1992). Zonder hem waren grote buitenlandse auteurs als Elias Canetti, Italo Svevo, Alfred Döblin, Marguerite Yourcenar, Witold Gombrowicz, Robert Musil en Hermann Broch nooit in een goede Nederlandse vertaling verschenen en was J.H. Leopold nooit uit zijn dichtersgraf herrezen. Bovendien bracht hij hun boeken uit in prachtbanden – de Grote Belletrie-serie – en richtte hij met de Athenaeum Boekhandel in Amsterdam een van de mooiste boekwinkels ter wereld op.

Helaas bleek Polaks voorkeur niet besteed aan het Nederlandse publiek, want vrijwel niemand kocht zijn boeken. De meeste delen van de Grote Belletrie-serie belandden in de ramsj. Polak zelf verloor een aanzienlijk deel van zijn vermogen aan zijn ‘hobby’.

Over Johan Polak verschijnt in 2014 een biografie van Koen Hilberdink. Als smaakmaker is nu alvast een daarvan losstaand boekje opgediend: Boekenmanie. De geboorte van Johan Polak als uitgever. Het is allesbehalve een voorpublicatie, maar wel een gelegenheidsuitgave ter ere van het 50-jarig bestaan van de door Polak en Rob van Gennep opgerichte uitgeverij, Athenaeum – Polak & Van Gennep.

Hilberdink, die nog bezig is met zijn onderzoek, behoudt zich dan ook het recht voor om in zijn definitieve biografie met andere inzichten te komen over wat hij in Boekenmanie beschrijft. Maar deze eerste stap heeft alvast een mooi boekje opgeleverd, dat onder meer een interessant beeld schetst van het vrijzinnig Joodse milieu, waarin Polak opgroeide.

Armoede

‘Joodse antisemieten’ noemde Polak zijn familieleden schertsend, doelend op hun afkeer van hun Joodse wortels, die ze met armoede en discriminatie associeerden. Niet voor niets hadden zijn beide ouders, de hoge Amsterdamse gemeenteambtenaar Semmy Polak en de gefortuneerde fabrikantendochter Sara Polak-Schwarz, hun twee zoons niet-Joodse voornamen gegeven en hen niet laten besnijden. De enige ‘Joodse’ traditie die ze in ere hielden was dat ze op vrijdagavond, het begin van de sabbat, met de hele familie ‘deftig’ aten.

De oorlog betekende een kentering voor Polak. Zijn vader was drie weken voor de Duitse inval overleden, hijzelf moest van zijn middelbare school af en naar het door de Duitsers ingestelde Joods Lyceum, waar hij les kreeg van historicus Jacques Presser, die hij de rest van zijn leven zou bewonderen. Eind 1943 dook hij met zijn moeder en broer onder.

Volgens Hilberdink heeft Polak over die onderduikperiode nooit willen praten. Het doet vermoeden dat hem hetzelfde is overkomen als wat Presser in zijn autobiografische roman Homo submersus beschrijft over de hardheid en hebzucht van onderduikverschaffers. Hopelijk komt daar in de definitieve biografie meer duidelijkheid over.

Na de bevrijding bleek een deel van Polaks familie de oorlog niet te hebben overleefd. Dat verlies zal de kern vormen van zijn latere uitgeefactiviteiten. Zoals Hilberdink schrijft: ‘Vóór de oorlog was hij een gewone Amsterdamse jongen geweest, maar de Duitsers hadden van hem een Joodse jongeman gemaakt, die door dit ‘stigma’ voor altijd tot een kwetsbare minderheid zou behoren.’

Door zijn kennismaking, op de middelbare school, met de poëzie van J.H. Leopold begint Polak zeldzame drukken te verzamelen van diens werk, dat in de boekhandel niet meer leverbaar is. Ook begint hij zeldzame boeken te verzamelen, een hobby die een manie wordt.

Als student is hij vooral bezig met die jacht op bibliofiele boeken. Hij wordt lid van het studentencorps, waar hij de latere filosoof Frits Staal leert kennen, en beleeft zijn eerste homoseksuele contacten. Een geestige anekdote die Hilberdink daarbij aanhaalt is die van de wederdienst die Staal moest geven nadat hij een keer met Polak mee naar Nice had mogen rijden. Toen zij daar de eerste nacht samen op een hotelkamer sliepen, vroeg Polak de niet-homoseksuele, doch beeldschone Staal zich voor hem uit te kleden, wat hij zonder aarzeling deed. Hilberdink: ‘Over homoseksualiteit spraken ze toen nog niet; het was een geste zonder naam.’

Polak zette zijn eerste schreden in de uitgeverij in 1948 bij Geert van Oorschot. Voor hem bezorgde hij het, door zijn familie bekostigde, verzameld werk van zijn oom Leo Polak, een beroemd hoogleraar filosofie die in concentratiekamp Sachsenhausen was omgekomen. Polak woonde in die tijd op kamers bij Van Oorschot, die hem vertelde dat als je boeken ‘van het hoogste plan’ wilde uitgeven je geld nodig had en dat precies om die reden het werk van Leopold niet meer in de boekhandel te krijgen was. Een nieuwe uitgave van diens werk zou alleen met financiële hulp van de familie Polak tot stand kunnen komen. Zo gezegd zo gedaan. Van Oorschot benaderde P.N. van Eyck, die Leopolds Verzamelde verzen in 1935 had bezorgd, en bracht hem in contact met de jonge Leopold-fan. Het was het begin van een intensieve samenwerking die van blijvende invloed op Polak zou zijn.

Dreiging

Anders dan veel ‘moderne’ intellectuelen en kunstenaars in Nederland, zag Polak al vroeg de dreiging van het communisme in. ‘Het grote verdriet van de joden’, zoals hij het noemde, was niet alleen veroorzaakt door Hitlers nazi’s, maar ook door Stalins communisten. Hilberdink vertelt niet waar Polak die waakzaamheid heeft ontwikkeld, maar waarschijnlijk dankt hij die mede aan communistenhater Van Oorschot en het zogenoemde artsenproces, de verhulde antisemitische campagne van Stalin, die begin van 1953 van start ging.

Beide dictators vormden sowieso het uitgangspunt van alles wat Polak later zou uitgeven. Zij hadden tenslotte een einde gemaakt aan de bloeiende Midden-Europese cultuur van voor 1939, waarin Joden en homoseksuelen een grote rol speelden. Door de grote literatuur van die tijd uit te geven, wilde hij een monument voor die verdwenen wereld oprichten.

Het laatste hoofdstuk van Boekenmanie is gewijd aan Polaks kennismaking met Rob van Gennep, eveneens een zoon van goeden huize, met wie hij in 1962 de uitgeverij opricht, die dat monument moet realiseren. Samen openden ze een schatkamer, die in Hilberdinks biografie van 2014 hopelijk uitvoerig zal worden beschreven.