Dierenconcert met een goudmerel

Honderden pagina’s over de schoonheid van Chinese bergen en wateren. Vergeet de toelichtingen bij deze gedichten. Lees onbevangen, want wat niet weet wat niet deert.

Dit is een boek met prachtige gedichten. Een dikke bloemlezing van honderden verzen uit de klassieke Chinese poëzie. Een boek om doorheen te dwalen, als door een landschap, en af en toe in stil te blijven staan – bijvoorbeeld bij regels als deze, van een dichter die zich op reis in een vreemd dorpje eenzaam voelt, de slaap niet kan vatten, de poort uit loopt en over de velden uitkijkt: ‘onder de heldere maan bloeit boekweit als sneeuw.’ Ik heb nog nooit ’s nachts een veld boekweit gezien, maar ik zie het nu helemaal voor me, onder het licht van die heldere maan – en ik houd even mijn adem in.

Nog zo’n regel, van dezelfde dichter, Bai Juyi (Po Tsju-i), geschreven op een bootje, op een meer, in de lente: ‘de maan maakt een parel midden op de golven.’ En hij ziet nog wel meer: ‘sparren strooien hun smaragd op de zuidhelling.’ En: ‘De vroege rijst vormt draadjes op een groen tapijt, / het nieuwe riet is een sjerp op een blauwe rok.’

Dit is sfeer en schets ineen, in een paar snelle streken. Het boek staat er vol mee. We vinden hier de klassieke ingrediënten van de Chinese landschapspoëzie: berg en water, bootjes, vissers, wolken, mist, paviljoenen, af en toe een kluizenaar. Ook de meer typisch Chinese attributen, die ons zo’n fijn gevoel van couleur locale en chinoiserie geven: een stenen gong, reizigerspriëlen, bamboescheuten, witte lotus, honingboombloesem, en plaatsaanduidingen als het Abrikozenboomterras en de Perzikbloesembron.

Het levert korte gedichten op die wij, met westerse ogen, gelegenheidspoëzie zouden noemen: korte reisnotities, onderweg gemaakt, als een dagboekaantekening, of als een korte brief. Gedichten als onderdeel van het dagelijks leven. Geen fictie, geen ‘kunst’. Dit is wat Du Fu opschrijft, omstreeks 764, als hij de slaap niet kan vatten:

RUSTELOZE NACHT

Bamboekoelte dringt de slaapkamer in,

het maanlicht vult de hoeken in de tuin.

De zware dauw verandert in straaltjes,

schaarse sterren verschijnen, verdwijnen.

In het donker licht een vuurvliegje op,

aan het water roepen vogels elkaar.

Om tienduizend dingen wordt gestreden

- vergeefs verdriet, de nacht verstrijkt helder.

Het is sfeervol, persoonlijk, opmerkzaam, maar nergens opdringerig of effectbejaggerig. In de voorlaatste regel wordt even naar het geweld in de wereld verwezen, maar verder blijft het een bezonken en bedachtzaam vers. Je zou het al haast, opnieuw met westerse ogen, een meditatief gedicht kunnen noemen.

Dat geldt zeker voor dit korte vers, van Han Shan. Een meditatieopdracht: ‘Puur is het water in de Smaragdbeek, / wit glanst de maan boven de Koude Berg. / Zet het weten stil – de geest raakt verlicht, / zie de leegte – de wereld komt tot rust.’ Het is een gedicht dat verder geen toelichting nodig heeft.

Dat geldt ook voor het volgende, ook van Han Shan. Het is er de zonnige tegenhanger van. ‘Als ik kan ga ik naar de Bloemenpiek, / de zon is fel, het daglicht glashelder. / Ik kijk om me heen: de lucht, zonnig, leeg / – de wolken vliegen met een kraanvogel.’

Maar bij dit gedicht heeft vertaalster en samenstelster Silvia Marijnissen gemeend wel een toelichting te moeten geven. Die staat eronder: ‘Ook dit gedicht symboliseert het zenboeddhisme. Het heldere licht, de zonnige lucht, de leegte bij de Bloemenpiek (de hoogste top in het Tiantai-gebergte) symboliseren de verlichte geest. De laatste regel staat voor transcendentie: met de wolken en de kraanvogel kan de verlichte geest vrij van de wereld rondzweven in licht en zuiverheid.’

Ik geloof niet dat hier veel zinnigs staat. Behalve de op zich nuttige verwijzing naar het zenboeddhisme (al hadden we daar zelf ook al een vermoeden van), staan hier verder vooral rondzingende ‘verklaringen’ van de nogal voor de hand liggende gedachte dat het licht hier samenhangt met de verlichte geest, en dat de verlichte geest het graag in licht en zuiverheid zoekt.

Is hier nu veel mee gewonnen?

Voor de onbevangen poëzielezer niet. Maar voor de historisch geïnteresseerde lezer wel. Silvia Marijnissen heeft al deze gedichten niet zomaar gekozen, maar om hun landschappelijke karakter. Het zijn allemaal berg-en-water-gedichten, behorend tot het genre van de berg-en-water-poëzie (shanshui), nauw verwant met de shanshui-traditie in de Chinese landschapsschilderkunst.

Wat de dichter afbeeldt heeft dan ook vooral symbolische waarde, zo maakt Marijnissen ons in haar degelijke inleiding duidelijk. Al die berg-en-water-gedichten zijn naar de vorm ingebed in een netwerk van afspraken en conventies. Inhoudelijk zijn er overal verwijzingen naar Chinese geschriften die de gemiddelde westerse lezer niet allemaal uit zijn hoofd kent: Boek der Oden, Boek der Veranderingen, Confucius, Zhuangzi, Laozi. Dat geldt ook voor de begrippen en symbolen uit het taoïsme, boeddhisme en confucianisme, waarvan de dichters hier veelvuldig gebruik maken.

Gelukkig zijn er de toelichtingen van Marijnissen. Ik wil graag enthousiast zijn over deze regels van Wei Yingwu, uit een lentegedicht: ‘De poorten openden vroeg: diepgroene bomen, een goudmerel zong voor de mandarijneenden.’ Ik stel me daar iets Gorteriaans-frissigs bij voor. De Mei! Een dierenconcert! Maar in de toelichting lees ik, droog, dat de goudmerel ‘wel geassocieerd werd met musici, maar ook met mensen die in alle oprechtheid hun politieke opinie gaven, maar naar wie niet werd geluisterd.’

Dat had ik op eigen kracht niet achter die goudmerel gezocht, nee. ‘De mandarijneenden verwijzen hier naar de ministers aan het hof, die ’s ochtends twee aan twee in vol ornaat het paleis betraden.’ Ook dat had ik zelf niet kunnen verzinnen. Zo blijkt achter deze gedichten vaak iets anders schuil te gaan.

Marijnissen geeft een hele opsomming van zulke symbolen. Bamboe en pijnbomen ‘staan voor’ de volharding van de kluizenaar. De ochtend en de lente ‘duiden vaak op’ een jeugdige leeftijd. Maanlicht ‘roept vaak heimwee op’. Vogel: vrijheid. Kraanvogel: onsterfelijkheid. Hut: rustig en eenvoudig leven. Berg: plek waar de machten van de aarde die van de hemel ontmoeten. Mist: de leegte waaruit alles ontstaat. Enzovoort.

Vaak is iets dus niet wat het lijkt te zijn. Is dat jammer? Ja. Ik werd er op den duur een beetje narrig van, Karel van het Reve-achtig narrig. ‘Het paar staat symbool voor echtelijk geluk.’ ‘Het hert staat symbool voor lang leven.’ Waarom schrijven dichters zelf niet op wat ze bedoelen? En tegelijk werd ik er natuurlijk ook onzeker van. Is deze poëzie voor een allochtoon eigenlijk überhaupt ooit wel te begrijpen?

Ik merkte dat ik een stille voorkeur begon te krijgen voor die gedichten waar niks onder stond. Daar kon ik me in elk geval geen buil aan vallen. En bij de andere gedichten zag ik me zelfs af en toe met mijn hand de toelichtingen afdekken, zodat ik onbevangen kon doorlezen. Wat niet weet, wat niet deert.

Met deze leestechniek valt er in ieder geval veel moois te ontdekken in deze schatkist. Het Chinese woord voor de Melkweg: Zilverrivier. Het beeld voor een meanderende rivier: ‘een darm in negen bochten’. Mooie woorden: bamboehakbosbergen, fijnstraalpluizen (van paardenbloemen), schietstroom (stroomversnelling).

Berg en water is, kortom, een prachtig boek, maar u moet gewoon niet alles lezen. Dat is vast ook heel erg zen. Dit is een kort gedicht van Wei Yingwu, geschreven in 777 na Chr. – een nachtnotitie van een eenzame man:

DE KOEKOEKSROEP

Dauw valt hoog in het bos, de zomernacht is fris,

in de bergen in het zuiden roept een koekoek.

De weduwe hiernaast wiegt haar huilende kind,

eenzaam lig ik te woelen tot het weer licht wordt.

Wat een sterk arrangement: de frisse nacht, de eenzame weduwe en de eenzame dichter, de droevige roep van de koekoek en het huilen van het kind. Silvia Marijnissen geeft er deze toelichting bij: ‘De koekoeksroep wordt geassocieerd met verdriet en verlies.’ Tja. Maar deze toelichting had ik niet graag gemist: ‘Dit gedicht is ongeveer een jaar na de dood van zijn vrouw geschreven.’