Brieven

Melkert werd ongenadig afgezeken door Fortuyn

In NRC Handelsblad (27 november) wordt over voormalig PvdA-leider Ad Melkert gezegd: „Zijn ongelukkige optreden tijdens een televisiedebat op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen op 6 maart 2002 bezegelde zijn lot.”

Dit is de zoveelste keer dat in de media wordt beweerd dat Melkert zijn politieke ondergang aan zichzelf te wijten heeft. Het is en blijft een alleszins aanvechtbare uitspraak.

Als Ad Melkert die avond, na de verpletterende nederlaag van zijn partij, probeert iets te berde te brengen, valt Pim Fortuyn hem aanhoudend in de rede. Hij vraagt de gespreksleider daar iets aan te doen, maar deze geeft geen gehoor. Hem worden plagerige vraagjes gesteld.

Kortom, hij werd ongenadig afgezeken. Een normale discussie was niet mogelijk. Niemand kwam voor hem op.

André J.F. Köbben

Leiden

Ook die

sloppy research van Stapel is gewoon fraude

In NRC Handelsblad (28 november) wordt in een interessant interview uitgebreid ingegaan op het rapport-Levelt over de fraude van Diederik Stapel.

Het lijkt een grondig en uitstekend onderzoek, maar één conclusie van de commissie vind ik verbazend. Waarom spreekt ze van sloppy research als er sprake is van het weglaten van proefpersonen of condities die je hypothese niet ondersteunen? Waarom betitelt ze dit niet ook als fraude?

Het lijkt een semantische discussie, maar het probleem is te ernstig om te spreken van ‘slordig onderzoek’, zeker als ik in het interview met professor Levelt lees dat het voor jonge wetenschappers in de groep van Stapel kennelijk heel gewoon was om proefpersonen uit het onderzoek te gooien die niet deden wat de hypothese voorspelde. Dit is gewoon wetenschappelijk bedrog.

In een vakgroep waar onderzoekers niet leren dat knoeien met onderzoekresultaten een wetenschappelijke ‘doodzonde’ is, wordt pathologie tot norm verheven. Dit moet voorkomen worden.

J.H. de Ru

Lienden

Laat Stapel nu maar eens een zelfonderzoekje doen

Hoewel wetenschapsfraudeur Diederik Stapel in het NOS Journaal met de door hem voorgelezen spijtbetuiging genoegzaam door het stof lijkt te gaan en hoewel de onderzoekscommissie terecht stelt dat er „geen excuus” mogelijk is, zou hem één daad passen waarmee hij zich kan rehabiliteren. Hij zou zichzelf onderwerp van onderzoek moeten maken. De enige wijze waarop hij de wetenschap nog een dienst kan bewijzen, is mee te werken aan het beantwoorden van de vraag hoe hij is gekomen tot zijn ongelooflijk zinloze daad. Wat heeft hem bezield? Wat heeft hem gedreven? Wat dacht hij ermee te winnen? Roem, bewondering, status, erkenning, macht of gewoon het kleinburgerlijke gelijk van een sterveling die zijn omgeving niet met rationele argumenten kan overtuigen – ‘het is nou eenmaal zo omdat ik dat vind’?

Als Stapel nog iets wil herwinnen aan respect en vertrouwen van al die collega-wetenschappers wier imago hij heeft beschadigd, kan hij hen helpen om dat kleine, duistere puzzelstukje van de menselijke geest in kaart te brengen dat ten grondslag lag aan zijn daad, uiteraard het liefst zonder gegevens te verzinnen. Dan is het misschien allemaal toch nog ergens goed voor geweest.

J.R.T.T. Tan

Psycholoog NIP, Amsterdam

Taal en waarneming zijn wel degelijk gekoppeld

Tegen het taalrelativisme – de theorie dat taal onze waarneming bepaalt – voert Rik Smits als voorbeeld aan dat Nederlanders en Engelstaligen hetzelfde waarnemen als ze iets grijs-bruins (taupe) zien, hoewel Amerikanen het kleurwoord ‘taupe’ hebben ter aanduiding van grijs-bruin, en Nederlanders niet (NRC Handelsblad, 23 november).

Taupe – une taupe – is het Franse woord voor mol. In het Frans wordt de grijs-bruine kleur van de vacht van de mol metaforisch aangeduid met taupe. Het Engels heeft die metafoor overgenomen. Taal maakt veelvuldig gebruik van vergelijkingen en metaforen om de waarneming te helpen beschrijven en te communiceren. Alle talen doen dit. Zo fungeert de verwijzing van een kleurnaam naar een bekend dier als kalibrering. Belt je Amerikaanse vriendin dat ze een nieuwe taupe jurk heeft gekocht, dan kun je je onmiddellijk een voorstelling maken van de jurk, dankzij het denkbeeld van een mol. Een voorwaarde voor het benutten van deze handigheid is dat je de letterlijke betekenis van ‘taupe’ kent.

Het is geen bewijs voor de onafhankelijkheid van taal en waarneming dat Nederlanders de kleur niet goed kunnen omschrijven, integendeel. Ze hebben er immers geen woord voor. Het is al evenmin een bewijs dat Amerikanen dat niet goed kunnen. Dit zegt hoogstens iets over hun Frans.

Fenna Poletiek

Haarlem

Onze huur stijgt door het kabinet met 69 procent

Het stuk van Sweder van Wijnbergen (Opinie, 23 november) beschrijft treffend onze situatie. Wij wonen in een sociale huurwoning en betalen 665 euro per maand. Met de voorgestelde maatregelen stijgt onze huur in negen jaar tijd naar 1.125 euro. Dit is een stijging van 69 procent.

Het overgrote deel van ons inkomen verdienen we als zzp’er en is niet vast. De bank wil ons dus geen hypotheek verstrekken.

We hebben het gevoel dat het kabinet ons uit ons huis wil jagen, zonder dat er alternatieven voorhanden zijn. Het is een illusie is dat dit beleid de doorstroming op de woningmarkt zal bevorderen.

J. van de Beek

Zeist

Vrouwen beledigen werkt

Een lezer noemt een verslag van Thierry Baudet, over het onderwijzen van mannen in de kunst van het man zijn, een poging om „misogynie weer salonfähig te maken” (Brieven, 23 november).

Het heeft evenwel niets te maken met misogynie, integendeel. Zulk onderwijs blijkt de interactie van mannen met het andere geslacht te verbeteren. Het werkt dus – weliswaar niet (meer) helemaal op de manier van Neil Strauss uit 2005, maar diens principes zijn nog steeds geldig. Zelfs vrouwen die „graag een lans breken voor de aardige en interessante man” blijken in de praktijk vatbaar voor de „subtiele belediging”, mits goed uitgevoerd.

E. Fokkema

Utrecht