Als een vrouw schrijft

Wat gebeurt er wanneer een vrouw anno 2012 een boek schrijft? Moet ze dat dan ‘als een vrouw’ doen? Nee, zegt de Britse schrijfster Rachel Cusk, want dan blijft ze afhankelijk van de dominante mannelijke waarden.

nlangs heb ik een kort verslag gepubliceerd over mijn echtscheiding en over de gevolgen daarvan: de verbrokkeling van het gezinsleven. In dat boek heb ik geprobeerd om de onverwachte heftigheid van die gebeurtenissen onder woorden te brengen. De titel is Nasleep, en het thema is het begrip nasleep, wat je de ‘postrealiteit’ zou kunnen noemen. Die realiteit was in dit geval een vrouwelijke realiteit, een verhaal over huwelijk en moederschap – over de investering in het maatschappelijke contract en het geloof in de daaraan verbonden mythen – dat niet meer verteld kon worden. Verhaal en realiteit strookten niet meer; tijdens een sluipend proces dat ik moeizaam probeerde te doorgronden hadden ze een vernietigende uitwerking op elkaar gekregen.

Ik heb aspecten van mijn eigen leven gebruikt om dat proces inzichtelijk te maken. Want mijn leven is van mij: het is het enige waarover ik recht van spreken heb. Toch leek dat volgens het maatschappelijk verdrag niet meer het geval te zijn. Het boek heeft bij velen grote boosheid gewekt. Als echtgenote en moeder was mijn leven kennelijk niet meer van mij. Maar zonder dat leven, zonder dat recht op mijn eigen ervaringen, kan ik geen schrijver zijn. En tegelijkertijd, als ik schrijver ben, kan ik geen echtgenote en moeder zijn.

Je bent een vrouw, daar ligt het aan, zeiden vriendinnen tegen me. En wat bedoelden ze daarmee, met het woord ‘vrouw’? Iemand in een knellend keurslijf van regels, iemand uit wiens mond we bepaalde dingen liever niet horen? Of iemand bij wie de maatschappij een gevestigd belang heeft, maar die tegelijkertijd wordt gediscrimineerd, zowel op het maatschappelijke als op het intellectuele vlak? Een vriendin zei: kijk eens wat vrouwen tegenwoordig schrijven: pornografie en geschiedenis. Lifestylepornografie, emotionele pornografie en sentimenteel werk; of geschiedenis, voor de vrouw die niets te verkopen heeft, die levenskwesties het liefst uit de weg gaat. Het leven is onzeker, maar de geschiedenis is een afgerond geheel; op dat terrein kan ze intelligent en leergierig zijn, daar kan ze in alle vrijheid uren ronddwalen. O ja, zei mijn vriendin, en kinderboeken, die vergat ik nog.

Op grond van deze kenschets vertegenwoordigt de vrouw de maatschappelijke mogelijkheid tot zelfhaat. Zij krijgt overal de schuld van, en tegelijkertijd is ze in staat om zich tegen haar eigen soort te keren, want ze ontkent alles waar ze een afkeer van heeft – haar lichaam, haar huisgebondenheid, haar biologische lot – en zoekt naar anderen in wie die haat kan worden gerealiseerd. Om te overleven vertelt ze zichzelf verhalen over de liefde en het leven. In die fictieve omgeving moeten toespelingen op de werkelijkheid zorgvuldig worden gedoseerd. De beste manier is humor: als je ergens om lacht, hoef je het niet serieus te nemen. Als een vrouw Het dagboek van Bridget Jones leest, schenkt dat haar psychische verlichting; haar zelfhaat is toegegeven, erkend, en tegelijkertijd onschadelijk gemaakt. De vrouwelijke cultuur staat positief tegenover moed, de moed van de humor, maar negatief tegenover eerlijkheid.

Wie was ik toen ik mijn boek schreef? Wie ben ik wanneer ik schrijf? Een tekst komt voort uit ervaring, maar degene die schrijft is niet dezelfde als degene die leeft. Ik schrijf erover hoe het is om vrouw te zijn, ik schrijf als vrouw, maar tijdens het schrijven zelf ben ik geen vrouw; ik ben niets, ik doe mijn best om niets meer te zijn dan een systeem met behulp waarvan de wereld kan worden waargenomen.

Wat is het dan eigenlijk, dat wij ‘vrouwenliteratuur’ noemen? Wat gebeurt er wanneer een vrouw in 2012 gaat zitten schrijven? We zijn het er misschien over eens dat wat ze schrijft nog niet per se ‘vrouwenliteratuur’ hoeft te zijn. Het kan best zijn dat ze enigszins vijandig staat tegenover dat begrip. Waarom zou ze zich tot een politieke zaak laten maken terwijl ze zich geen politieke zaak voelt? Wie weet is het zelfs een erekwestie om dat politieke aspect zo ver mogelijk bij haar proza vandaan te houden. Alles waarmee vrouwen moeten schipperen – kinderen, huisgebondenheid, middelmatigheid – telt voor schrijven nog zwaarder. Ze staat aan de goede kant – nét. Haar leven is een leven van vrijheid en rechten, wat waarschijnlijk nog niet gold voor het leven van haar moeder. Maar een man is ze evenmin. Ze is een vrouw; het verschil tussen haar en haar moeder is door de geschiedenis bewerkstelligd. Ze kan om zich heen kijken en zien dat het leven van vrouwen in sommige opzichten weliswaar is veranderd, maar in andere opzichten overwegend hetzelfde is gebleven. Ze kan ook naar haar lichaam kijken; als een vrouwenlichaam iets duidelijk maakt, is het wel dat herhaling sterker is dan verandering. Maar verandering wekt meer verwondering, meer vreugde: het is prettiger om het boek van de verandering te schrijven dan het boek van de herhaling. ‘Vrouwenliteratuur’ zou weleens een andere benaming kunnen zijn voor het boek van de herhaling.

Twee boeken – De tweede sekse van Simone de Beauvoir en Een kamer voor jezelf van Virginia Woolf – hebben onze mening over dit thema gevormd. Zoals bekend draaien beide om het begrip bezit. De stelling van De Beauvoir dat vrouwen vooral in de verdrukking zijn geraakt doordat de man alle bezit naar zich toe trok, is de uitvergroting van Woolfs meer literaire synthese van de concrete en expressieve armoede van de vrouw. Een vrouw heeft een eigen kamer nodig om te kunnen schrijven, en haar stilzwijgen was dan ook de stilte van de bezitloosheid. Toch heeft haar stilzwijgen iets nog diepers en geheimzinnigers: het mysterie van haar ware identiteit.

Woolf en de Beauvoir zijn het erover eens dat een vrouw – zelfs een vrouw met een eigen kamer – nooit Moby-Dick of Oorlog en vrede had kunnen schrijven, want ‘het tussenproduct van man en castraat, vrouw geheten, wordt door de beschaving als geheel voortgebracht’, en het heeft de vrouw niet alleen ontbroken aan een eigen kamer, maar ook aan een eigen literatuur. Een boek is geen voorbeeld van ‘vrouwenliteratuur’ alleen omdat het door een vrouw is geschreven. Literatuur kan pas ‘vrouwenliteratuur’ worden wanneer die niet door een man geschreven had kunnen zijn.

Bij De Beauvoir is de vrouw een bedelares – ze wordt niet zo geboren, om de Beauvoir zelf te parafraseren, maar zo gemaakt – die als slavin volkomen is vernederd, die zichzelf vernedert en hengelt naar de kliekjes die de mannen versmaden. Bij Woolf is de vrouw eerder slachtoffer, gevangene; ze wordt daadwerkelijk geweerd, en als ze verknipt is, komt dat door de omstandigheden.

Het is gemakkelijker om een historicus te zijn dan een profeet, en toen Virginia Woolf zei dat een vrouw een eigen kamer en eigen geld nodig had om fictie te kunnen schrijven, scheen ze te zinspelen op een toekomst voor de vrouw waarin bezit gelijk zou staan aan woorden, even onvermijdelijk als gebrek aan bezit in het verleden gelijk had gestaan aan stilzwijgen. Een vrouw met een kamer en geld zal vrij zijn om te schrijven, maar wat zal ze dan schrijven? In Een kamer voor jezelf beweert Woolf twee dingen: ten eerste dat de wereld – en dus ook hoe die in de kunst wordt voorgesteld – aantoonbaar mannelijk is, en ten tweede dat een vrouw uit een mannelijke werkelijkheid geen kunst kan scheppen. De literatuur was gedurende het grootste deel van haar geschiedenis een mannelijke werkelijkheid. De vorm en de structuur van de roman, het waarnemingskader, zelfs de lengte en de hoedanigheid van de literaire zin – het waren instrumenten die mannen zich voor eigen gebruik hadden aangemeten.

De vrouw van de toekomst, zegt Woolf, zal haar eigen soort zin en haar eigen vorm bedenken, en die zal ze aanwenden om over haar eigen werkelijkheid te schrijven. Sterker nog, die werkelijkheid zal haar eigen waarden hebben: ‘En aangezien een roman nu eenmaal overeenkomst vertoont met het echte leven, zijn de waarden ervan tot op zekere hoogte die van het echte leven. Maar het is duidelijk dat de waarden van vrouwen heel vaak verschillen van de waarden die door de andere sekse zijn ingesteld, dat spreekt vanzelf. Niettemin overheersen de mannelijke waarden... Dit is een belangrijk boek, neemt de criticus aan, want het gaat over oorlog. Dit is een onbelangrijk boek, want het gaat over de gevoelens van vrouwen in een salon.’

De onafhankelijke schrijfster, veronderstelde Woolf, zou daarmee iets schrijven wat nog niet eerder was geschreven: het verhaal van de vrouw. Ze zou ‘een fakkel ontsteken in die enorme ruimte die nog nooit door iemand is betreden. Er heerst half licht maar ook diepe schaduw, als in de kronkelige spelonken waar je met een kaars in de hand omhoog en omlaag tuurt, zonder te weten waar je je voeten neerzet.’

De toekomst komt natuurlijk nooit: de toekomst is niet meer dan een projectie uit het heden van de frustraties van het heden. In de tachtig jaar sinds de publicatie van Woolfs Een kamer voor jezelf is er met prijzenswaardige openheid geschreven over veel aspecten van de vrouwelijke belevingswereld, niet zelden door mannen. Nog steeds wordt een boek over oorlog hoger aangeslagen dan een boek over ‘de gevoelens van vrouwen’. Zeer veelzeggend is dat een vrouw die een boek over oorlog schrijft wordt geprezen, want zij heeft de enorme schemerige ruimte en de kronkelige spelonken gemeden; men heeft het idee dat ze goed gebruik heeft gemaakt van haar kamer en haar geld, van haar nieuwe recht op bezit. De schrijfster die zich beperkt tot haar vrouwelijke ‘werkelijkheid’ wordt om dezelfde reden vaak bekritiseerd. Zij lijkt haar kamer niet goed te hebben benut en haar geld te hebben verbrast. Het is alsof zichzelf heeft bedrogen: ze is het slachtoffer van haar eigen uitbuiting.

Misschien bestaat er tussen die eigen kamer en de creativiteit van de vrouw dan ook niet zo’n rechtstreeks verband als Woolf zich had voorgesteld. Per slot van rekening had zij in haar situatie altijd de beschikking over een eigen kamer en eigen geld gehad, en misschien leken ze in haar ogen onontbeerlijk omdat haar eigen werk altijd onder die omstandigheden tot stand kwam. Wel moet ze toegeven dat de twee schrijfsters die ze onvoorwaardelijk bewonderde – Jane Austen en Emily Brontë – thuis in een gezamenlijke ruimte schreven. Die eigen kamer, of het ontbreken daarvan, hoeft helemaal niets met schrijven te maken te hebben. Je kunt zeggen dat iedere vrouw een kamer voor zichzelf zou moeten hebben. Maar het kan net zo goed zijn dat een eigen kamer de schrijfster in staat stelt haar banden met het vrouw-zijn te verbreken en zich te wijden aan de herhaling van ‘mannelijke waarden’. Die kamer is misschien wel de belichaming van die waarden, een opvatting over ‘bezit’ die in wezen geen verband houdt met de vrouwelijke aard.

Woolf bekent dat ze niet weet wat vrouwen zijn: ze hebben zo weinig sporen achtergelaten, zegt ze, en door de eeuwen heen zo’n diep stilzwijgen betracht dat ze vrijwel geen geschiedenis hebben. De vrouwelijke kunstenaar moet de schaarse draden van haar voorgangsters – Jane Austen, George Eliot, de Brontës – zien op te nemen. Ze moet zich vastklampen aan alle voorstellingen die er zijn.

In zijn toneelstuk Drie zusters toont Tsjechov zich wat dat betreft een goed waarnemer. De door Woolf genoemde voorstellingen stimuleerden hem om na te denken over het stilzwijgen, en niet andersom. Dat stilzwijgen zelf interesseert hem, en het interesseert hem niet als iets wat er niet is, maar als iets wat er wel is. Hij meet de vrouw niet af aan de man. Hij ziet haar als iemand die beknot wordt in haar eigen wezen, iemand die zichzelf eigenlijk niet kent. Volgens Irina in Drie zusters komt dat stilzwijgen voort uit een gebrek aan samenhang tussen gevoel en realiteit: ‘Ach, vroeger heb ik zoveel over de liefde nagedacht,’ zegt ze. ‘Ik heb er heel lang over nagedacht, dag en nacht, maar mijn ziel is als een kostbare piano die op slot zit maar waarvan de sleutel weg is.’ Ze zegt niet wie de piano op slot heeft gedaan, en ook niet wie de sleutel heeft weggemaakt, alleen dat hij kostbaar was en nu zwijgt.

Virginia Woolf erkent dat de vrouw die schrijft misschien eerst alles kapot moet maken – de zin, de volgorde, de romanvorm zelf – om haar eigen literatuur te kunnen scheppen. Verder vraagt ze zich af of het wel zo is dat de omstandigheden waaronder vrouwen leven en werken het schrijven in de weg staan, of er integendeel noodzakelijk voor zijn; met andere woorden, of Trots en vooroordeel zo’n vlekkeloze roman is juist omdat Jane Austen achter de deur in de gezamenlijke woonkamer heeft zitten schrijven.

Het is dus mogelijk dat de schrijfster van nu niet zo veel te maken heeft met het begrip ‘vrouwenliteratuur’. Het feminisme als culturele en politieke crisis heeft zijn tijd gehad. Huwelijk, moederschap en huisgebondenheid worden beschouwd als keuzes, waarover maar in beperkte mate geklaagd mag worden. Als een vrouw het idee heeft dat ze stikt, geen kant op kan en zich geen raad weet met haar vrouw-zijn, ervaart ze dat gevoel alleen, als individu. Op het ogenblik bestaat er immers geen zichtbare eensgezindheid onder vrouwen, want sinds het hoogtepunt van het feminisme is het de taak van de vrouw om de gelijke te worden van de man. Een vrouw is dan ook ingekapseld, diffuus, vermomd. Als een schrijfster zich tot haar sekse zou richten, zou ze niet weten tot wie of wat ze zich richtte. Oppervlakkig bezien lijkt die situatie op gelijkheid, maar dan wel binnen de dominante ‘mannelijke waarden’. Wat de vrouw van nu heeft gewonnen in persoonlijke vrijheid, heeft ze moeten inleveren in politiek prestige. Ze behoort nog steeds tot de tweede sekse, maar ze heeft zich het recht verworven zich daarvan los te maken.

In deze context wint de uitspraak van Simone de Beauvoir dat een vrouw niet wordt geboren maar wordt gemaakt, weer aan kracht. ‘De traditionele vrouw is een gemystificeerd wezen en een middel tot mystificatie,’ schrijft de Beauvoir. ‘Ze probeert haar afhankelijkheid voor zichzelf te verbergen, dat is een manier om erin te berusten.’ Enkele zeer gepassioneerde uitspraken in De tweede sekse betreffen de manieren waarop vrouwen hun onder het patriarchaat verkregen privileges en bezit trachten te beschermen door de oprechtheid van andere vrouwen te veroordelen of te bespotten.

De schrijfster die werk zoekt, zal haar handen nog vol hebben aan demystificatie, aan het doorbreken van de stilte die als een nevel rondom de zich herhalende vrouwelijke belevenis hangt. Ze zal geen literaire prijzen in de wacht slepen als ze het boek van de herhaling schrijft; daarmee zal ze, zoals De Beauvoir opmerkte, ergernis en vijandigheid wekken in plaats van bijval. Erger nog, ze moet misschien enkele voorrechten opgeven om het te kunnen schrijven. Ze moet misschien haar eigen kamer verwisselen voor haar oude plekje achter de deur van de woonkamer.