Meneer de Boom

Meneer de boom. Foto NRC / Raoul de Jong Meneer de boom. Foto NRC / Raoul de Jong

Ik had gehoopt dat er vanzelf een oplossing voor Robin uit de lucht kwam vallen, dat ik iemand zou ontmoeten die hem harder nodig had dan ik. Maar de oplossing kwam niet. Na een paar uur slaap werd ik wakker in de jeugdherberg, en voelde dat het tijd was. Om Robin achter te laten en door te lopen. Gewoon omdat ik daar zin in had.

Ik gaf Robin aan Benjamin die hem aan zijn vader zou geven. Met slaapzak, matje en tent. Benjamin was een beetje overdonderd. Weet je het zeker? “Heel heel zeker,” zei ik. Hij stapte op de fiets en ik liep door. “Hij heet Robin!” riep ik hem nog na. “Naar Batmans beste vriend!” Maar ik geloof niet dat hij dat hoorde.

Ik liep het centrum uit, liep over straatjes door buitenwijken en grindpaadjes door bossen, over bergen en nam een pauze op een open plek, onder een mooie boom met hangende takken. Van onderaf gezien leken die takken op de pootjes van Puck. Ze hingen zoals Puck zijn linkerpootje liet hangen over de rand van de draagzak waar ik hem de laatste maanden van zijn leven in rondtilde; parmantig.

Met die draagzak hadden we onze laatste avonturen beleefd, Puck en ik. Heel dicht bij elkaar, hij met een pootje uitgestoken naar voren.

In juli had mijn moeder me opgebeld: Puck had een hersenbloeding gehad, het ging nu echt niet lang meer duren. Een paar jaar eerder dachten we dat ook al en toen was hij na een paar weken (en een theekuur van een Chinese dokter?) miraculeus hersteld, maar dit keer was het anders. Ik nam het vliegtuig naar Marseille, lag wekenlang alleen maar met hem op de bank en besloot uiteindelijk hem nog een keer mee op avontuur te nemen. Want Puck hield van avontuur. Zoals ik vroeger hield van naast mijn mam zitten en meeluisteren naar de gesprekken van de volwassenen.

Ik en Puck in Marseille. Foto NRC

Ik en Puck in Marseille. Foto NRCIk en Puck in Marseille. Foto NRC

Van Marseille reisden we naar de bergen van Abruzzo, waar we de boerderij van een vriendin bezochten. Naar Rome, waar ik hem het Forum Romanum en het Colosseum liet zien. En uiteindelijk met het vliegtuig naar Rotterdam, waar hij zou sterven in mijn armen.

Ik was negen toen we hem kregen, zevenentwintig toen hij overleed. Puck, mijn broertje, mijn zoon, mijn allerbeste vriend. Ik had verwacht dat ik automatisch zou begrijpen wat het betekende op het moment dat het hem overkwam: de dood. Maar ik begreep helemaal niks. Ik had zijn lichaampje nog in mijn armen, maar dat wat Puck Puck maakte was weg. Terwijl ik al mijn liefde voor hem nog had. Dat voelde als een mes in mijn hart. Ik kon er alleen maar om huilen.

Ik rationaliseerde: als dat wat Puck Puck maakte nu niet meer in Pucks lichaam zat, was het nu een onderdeel van de lucht, de planten, de mensen, de dieren, de zon, de wind, de maan, de sterren, het Grote Alles om mij heen. En als dat zo was, was dat waar ik die liefde nu aan moest geven. Ik mocht hem niet laten omslaan in verbittering of in verdriet. Ik moest hem bewaren, nog groter maker, nog sterker, net zo lang tot ik voor de hele wereld zou voelen wat ik voelde voor Puck.

Pucks begravenis in de tuin van mijn tante. Foto NRC / Raoul de Jong

Pucks begravenis in de tuin van mijn tante. Foto NRC / Raoul de JongPucks begravenis in de tuin van mijn tante. Foto NRC / Raoul de Jong

Maar nog die avond zat ik achter facebook. En rende net zo hard achter al mijn zelfbedachte doelen aan als ik altijd had gedaan. Behalve als niemand keek. Dan huilde ik en ik snapte niet waarom.

En nu lag ik dus onder deze boom. De boom wiens takken hingen zoals Puck zijn pootje liet hangen over de draagzak. “Hallo, meneer de boom,” zei ik. En dat voelde eigenlijk heel logisch. Want als Puck iets had wat Puck Puck maakte, had deze boom iets wat deze boom maakte tot deze boom. Anders dan alle andere bomen op deze planeet. Hij stond hier en niet ergens anders. Hij had zijn eigen karakter en zijn eigen geschiedenis. Als Puck Puck was en ik ik, was deze boom meneer de boom.

En als dat gold voor hem, gold dat ook voor alle bomen om hem heen. En als dat gold voor alle bomen, gold dat ook voor alle bosjes. En als dat gold voor alle bosjes, gold het ook voor al het gras waarop ik lag. Voor de wolkjes in de lucht. Voor de wind die de wolkjes deed bewegen. Het waren allemaal mevrouwen en meneren.

Ik liep door en probeerde alle planten die ik tegenkwam een naam te geven die bij ze paste. Laura, de boom vol elegantie, Pieter, de kordate grasspriet, Shaniqua, Shanaia en Graciella, een hechte bosjestriptiek… En even wist met honderd procent zekerheid: dat dit bos een bos was vol ademende, levende en pratende wezens.

Puck. Foto NRC / Raoul de Jong

Puck. Foto NRC / Raoul de JongPuck. Foto NRC / Raoul de Jong

Raoul kreeg voor zijn tocht van de ANWB Human Nature travel gear, een rugzak en een jack van The North Face en een iPad van Mangrove.