Verdacht in Rwanda, berecht in Nederland

Vandaag formuleert een Haagse aanklager de eis tegen Yvonne B., verdacht van genocide in Rwanda. Hoe werkt een proces over misdaden in een ver land?

Foto’s van slachtoffers van de Rwandese genocide in herdenkingscentrum in hoofdstad Kigali. Foto AFP

In Oslo werd deze week 21 jaar cel geëist tegen een verdachte van de genocide in Rwanda, achttien jaar geleden. In Den Haag zou een Nederlandse aanklager vandaag de strafeis formuleren tegen Yvonne B., een vrouw die 65 jaar geleden in Rwanda is geboren. Ze kwam in 1998 naar Nederland en kreeg in 2004 de Nederlandse nationaliteit. Ook zij zou een leidersrol hebben gespeeld bij de genocide, waarbij in honderd dagen tijd meer dan 800.000 mensen werden vermoord, voornamelijk Tutsi’s, meestal door Hutu’s. Zowel in Nederland als in Noorwegen is het voor het eerst dat een burger terechtstaat voor genocide.

Dat deze verdachten niet in Rwanda zelf worden berecht, komt doordat westerse landen twijfels hebben over de onafhankelijkheid van de rechtspraak in dat land. Rwanda vraagt andere landen wel om uitlevering van verdachten, maar die verzoeken zijn tot nu toe niet gehonoreerd. Omdat landen ook geen vluchthaven voor oorlogsmisdadigers willen zijn, vervolgen ze zelf ook op beperkte schaal verdachten van genocide. Dit levert handicaps op voor de rechtsgang, blijkt uit een analyse van het Nederlandse proces.

De tenlastelegging. Het Openbaar Ministerie beschuldigt Yvonne B. van het aanzetten tot genocide. Ze zou plaatselijk leider van de CDR zijn geweest, volgens de officier van justitie „een partij van extremisten onder de extremisten”. De CDR zou al anderhalf jaar voor de genocide zijn begonnen met voorbereidingen voor het uitroeien van alle Tutsi’s. Door de geesten rijp te maken met haatpropaganda. En door arme, laagopgeleide twintigers te rekruteren voor milities en ze te trainen en bewapenen. Yvonne zou bij haar thuis bijeenkomsten voor ‘haar jongens’ hebben gehouden, ze voedsel, geld en drank hebben gegeven, met ze hebben gedanst en gezongen en ze hebben opgehitst tot geweld. Ze zou een lijst met potentiële doelwitten hebben opgesteld. „Cheerleader van de genocide”, „intellectueel dader” en „operationeel leider”. Zo noemde de aanklager Yvonne. Verantwoordelijk voor alle misdrijven die haar jongens voor en na het begin van de genocide hebben gepleegd. Yvonne zegt dat er niets van waar is, dat ze onschuldig is.

Justitieel vooronderzoek. Justitie en politie hebben vier jaar aan de zaak gewerkt. Aanvankelijk richtte het onderzoek zich op haar man, parlementslid voor een regeringspartij tot de genocide. Waarom justitie uiteindelijk juist haar uitkoos voor berechting, van alle Rwandezen in Nederland die verdacht worden van betrokkenheid bij genocide, is niet duidelijk. In Rwanda wordt ze niet gezocht. De rechter-commissaris heeft in het bijzijn van de officier van justitie en de raadsman van de verdachte 71 getuigen gehoord in negen landen. De rechtbank heeft zelf maar een van die getuigen gehoord, een Rwandese vrouw die in België woont.

Bewijsmateriaal. Er is geen stoffelijk bewijs voor de leidersrol die Yvonne zou hebben gespeeld. Geen ledenlijst van de CDR, geen lidmaatschapskaart, geen krantenartikel, geen document, geen foto, geen filmopname. De rechtbank moet het doen met getuigenverklaringen. Belastende verklaringen van getuigen die volgens raadsman Victor Koppe samen optrekken en Yvonne doelbewust zwart maken. Ontlastende verklaringen van getuigen die volgens de officier van justitie allemaal een bijzondere band hebben met de familie en liegen om Yvonne te beschermen. Onder hen is de ex-minister van Justitie van Rwanda, van 2003 tot 2006 verantwoordelijk voor opsporing van leiders van de genocide.

Andere handicaps. De Haagse rechtbank moet oordelen over misdrijven van lang geleden in een land dat ze niet kent en waar ze nooit is geweest. Ze is afhankelijk van beschrijvingen en rapportages. Hoe ver reikt een stem? Wat kun je door struikgewas zien? Ze moet het doen met schriftelijke verslagen van verhoren. Verhoren die volgens de officier van justitie vervuild zijn door taalproblemen, misverstanden, cultuurverschillen, uiteenlopende referentiekaders, verkeerde keuzes en soms door overbelasting van getuigen.

Historie. En dan komen officier van justitie en raadsman ook nog eens elk met hun eigen versie van de geschiedenis. Was de genocide een zorgvuldig voorbereide massamoord, zoals de officier van justitie zegt? En heeft Yvonne het voetvolk „mentaal klaargestoomd om de machete op te pakken”? Of hadden ook Hutu’s in de aanloop naar de genocide meer dan genoeg reden om de Tutsi-rebellen te vrezen, zoals de raadsman zegt, en kan de genocide niet mechanisch worden verklaard?