‘Utopia bestaat niet meer’

In het Van Abbemuseum wordt het werk van El Lissitzky naast dat van Ilya en Emilia Kabakov geplaatst. „Hij geloofde in Utopia, wij moesten erin leven.”

Ilya en Emilia Kabakov, ‘Man climbing wall’, 2012 Foto Perry van Duijnhoven

Acht jaar oud was de Russische kunstenaar Ilya Kabakov (1933) toen zijn beroemde landgenoot El Lissitzky in 1941 stierf. Maar het zou nog een halve eeuw duren voordat hij kennis kon maken met Lissitzky’s constructivistische kunst. Toen Kabakov opgroeide tijdens het communistische regime van de Sovjet-Unie was er maar één stijl mogelijk: het socialistisch realisme. Het lesmateriaal dat hij in de jaren vijftig op de academie in Moskou te lezen kreeg, eindigde bij de Franse negentiende-eeuwse landschappen van de School van Barbizon. Abstracte kunst bestond eenvoudigweg niet, in het sovjetuniversum.

Nu Ilya Kabakov bijna tachtig is en alweer twintig jaar in de Verenigde Staten woont, krijgt hij voor het eerst de kans zijn werk naast dat van El Lissitzky te zien. Samen met zijn vrouw Emilia (1945), met wie hij sinds 1988 een kunstenaarsduo vormt, is hij door het Van Abbemuseum uitgenodigd om beide oeuvres samen te brengen op een tentoonstelling met de titel Utopie en werkelijkheid. „We waren erg geïntimideerd door het voorstel”, zeggen de Kabakovs. „Voor ons is het alsof we een tentoonstelling maken met Monet of Picasso. El Lissitzky is een grote historische figuur.”

In het Van Abbemuseum bemoeien Ilya en Emilia Kabakov zich tot in detail met de inrichting van de tentoonstelling. Het echtpaar ontwierp de aankleding en de plattegrond. Ze maakten de selectie van werken en gaven de catalogus vorm. „We zijn controlfreaks”, zegt Emilia, die eruitziet als een lief klein Russisch omaatje maar met ijzige stem duidelijk maakt dat ze de belichting in zaal 5 beroerd vindt. Om er daarna lachend aan toe te voegen: „Wij bepalen alles.” Ilya, bijna net zo klein van stuk, laat het interview liever aan zijn vrouw over. Haar Engels is veel beter dan het zijne, bromt hij. En bovendien: er moet gewerkt worden.

De expositie belooft een mooie confrontatie te worden tussen twee Russische grootheden die de sovjettijd ieder op een heel eigen manier beleefd hebben. Lissitzky markeert het begin van dat tijdperk. Uit zijn schilderijen, sculpturen, architectonische maquettes en affiches spreekt een enorm enthousiasme voor de revolutie en de nieuwe sociale orde. Bij de Kabakovs, die de Sovjet-Unie in elkaar zagen storten, is het werk daarentegen doortrokken van melancholie en ironie. In hun installaties proberen mensen voortdurend te ontsnappen aan hun miserabele dagelijkse leven. Zoals in het werk The man who flew into space from his apartment (1985), een kleine ruimte die vol geplakt is met propagandistische sovjetposters. Middenin de kamer hangen de resten van een enorme katapult waarmee de bewoner zich door het dak heen heeft geschoten, de vrijheid tegemoet.

„Lissitzky had een heilig geloof in de toekomst”, zegt Emilia Kabakov. „Hij stond aan het begin van een droom, de constructie van Utopia. Maar wij groeiden op met de resultaten van dat Utopia. Wij weten wat het betekende om in de dagelijkse realiteit van die sovjetdroom op te groeien. Wat die droom mensen heeft gekost. Met als gevolg dat wij veel pessimistischer zijn. Noem het gedesillusioneerd. Utopia bestaat niet meer.”

Maar er zijn ook opvallende overeenkomsten tussen de kunstenaars, vooral als het gaat om de media waarin zij zich uit hebben gedrukt. El Lissitzky maakte boeken, modellen, schilderijen, affiches, ontwerpen voor theaters en voor monumenten – net als de Kabakovs. Zijn ruimtelijke ontwerpen zou je zelfs vroege voorlopers van de installatiekunst kunnen noemen. „Daarom voelt het ook zo goed om met hem vergeleken te worden”, zegt Emilia. „We maken gebruik van dezelfde genres. Maar als het gaat om ideeën, hoop en dromen, is ons werk totaal verschillend. Hij maakte propagandakunst, terwijl alles wat wij doen het tegenovergestelde is van propaganda.”

Het mooiste is dat te zien in de zaal waarin een model staat van Lissitzky’s Nieuwe Mens uit 1923, een sculptuur van een constructivistische figuur die vol optimisme en met opgeheven armen de toekomst tegemoet rent. Ernaast staat een bronzen beeld van de Kabakovs uit 2012, van een man die getracht heeft over een muur te klimmen maar nu totaal uitgeput over de rand bungelt. „Ons beeld verbeeldt het einde van de Sovjet-Unie”, zegt Emilia. „Deze figuur probeerde te ontsnappen en nu is hij dood.”

Non-stop op reis

Emilia Kabakov, opgeleid als klassiek pianist, wist het Westen al in 1973 te bereiken. Ze woonde in Brussel en Israël en verhuisde daarna naar New York, waar ze adviseur werd van een kunstverzamelaar. Ilya kende ze al sinds haar vroege jeugd – de twee zijn verre neef en nicht van elkaar. Toen hij in 1987 via Oostenrijk ook naar de Verenigde Staten emigreerde, gingen ze als kunstenaarsduo verder. Ze trouwden in 1992. Nu wonen ze op Long Island, waar ze vanuit diverse panden hun kunststichting bestieren. De afgelopen 25 jaar is het echtpaar non-stop op reis geweest, en namen ze deel aan bijna alle belangrijke biënnales en kunstbeurzen ter wereld.

Over hoe de samenwerking met haar man precies verloopt, wil Emilia niets zeggen. „Dat is een geheim dat we niet vertellen. Het enige dat ik kan zeggen is dat ik niet schilder. Maar verder doen we alles samen en dat werkt heel goed.”

Hun tijd in de Sovjet-Unie hebben ze onafhankelijk van elkaar meegemaakt. „Ik had het iets gemakkelijker dan Ilya”, zegt Emilia. „Ik groeide op in de jaren zestig en zeventig. Wij waren vrijer dan Ilya’s generatie. Als je je niet met politiek bemoeide, maakte het niemand iets uit wat je deed. Maar in de jaren vijftig was het regime veel strenger. Tot 1956 kwam er helemaal geen informatie uit het Westen binnen. In dat jaar werd er een groot kunstfestival georganiseerd in Moskou waar ook internationale kunstenaars voor uitgenodigd waren. Ik was toen elf jaar oud en ik herinner me nog goed dat alle kinderen tijdens het festival uit Moskou moesten vertrekken. Ze vertelden ons dat de vreemdelingen besmettelijke ziektes zouden meebrengen. Ik ben toen bij mijn grootouders ondergebracht. Het was voor het eerst tijdens mijn leven dat er buitenlandse kunstenaars naar Moskou kwamen. Dat was de eerste scheur in de sovjetrealiteit. We kwamen erachter dat buitenlanders geen beesten waren. Dat we met hen konden communiceren.”

Ilya Kabakov verdiende in die tijd zijn geld als illustrator van kinderboeken. Meer dan 150 maakte hij er, tijdens de hoogtijdagen van de Koude Oorlog. „Voor hem waren kinderboeken de veiligste weg om te kiezen”, zegt Emilia. „Oké, de konijnen moesten eruitzien als sovjetkonijnen: vrolijk huppelend. En de kinderen moesten altijd lachen. Er waren uiteraard standaardregels die je moest volgen, maar dat was te doen. Kinderboeken illustreren was gemakkelijk, niet politiek en dus ongevaarlijk.”

In zijn vrije tijd maakte Kabakov clandestien ‘conceptueel’ werk, dat hij in de beslotenheid van zijn atelier aan collega-kunstenaars liet zien. Altijd met de angst dat die kunst in beslag zou worden genomen. Wie nu naar dat ‘geheime’ oeuvre kijkt, kan zich haast niet voorstellen dat Kabakov destijds geen weet had van Pop Art, abstract-expressionisme of minimalisme. Dat hij niet de schilderijen van Robert Ryman of Lucio Fontana in zijn achterhoofd had toen hij in de jaren zeventig vrijwel compleet witte schilderijen maakte met alleen wat piepkleine figuurtjes langs de randen. Dat hij niet bezig was met Malevitsj’ Zwarte Vierkant toen hij in 1972 geheel zwarte prenten maakte van een ‘In-de-kast-zittende Primakov’. En dat hij niet aan de Arte Povera-beweging dacht toen hij in de jaren tachtig zijn ‘Kisten met rotzooi’ samenstelde.

„Wij hadden geen toegang tot tijdschriften of boeken over buitenlandse kunst”, zegt Emilia. „Pas in de jaren zeventig druppelde er af en toe informatie binnen. Maar toen hadden kunstenaars in de Sovjet-Unie al min of meer dezelfde soort kunst uitgevonden. Het was alsof al die stromingen in de lucht hingen. Zoals ook de gloeilamp gelijktijdig in Engeland, Rusland en Amerika werd uitgevonden zonder dat ze dat wisten.”

In de catalogus van Utopie en werkelijkheid zegt Ilya Kabakov dat hij zich al die jaren wel voorgesteld had dat er gelijkgestemde kunstenaars moesten bestaan in de rest van de wereld: „Tijdens het creëren van mijn werken dacht ik aan wat een westerse curator erover te zeggen zou hebben. De westerse kunstgeschiedenis was het begin en het einde van mijn horizon.” Met kleine snippertjes informatie vormde hij en collega-kunstenaars zich een beeld van die kunstgeschiedenis. „De gevoeligheid van onze neusgaten ontwikkelde zich in zodanige mate dat als je 3 à 4 moleculen kon vangen in de lucht het Malevitsj of Kandinsky zou kunnen zijn. Zoals in een gevangenis, als een jonge man lang geen vrouw meer heeft gezien, hij haar kan bedenken vanuit pornografische graffiti.”

Kunst ruilen

Andersom was het werk van Kabakov wel sporadisch in het Westen te zien. Al in 1967 hing een schilderij van hem op een tentoonstelling in Italië. „Toen de buitenlanders kwamen, gaf Ilya zijn werken aan ze weg”, vertelt Emilia. „Of hij vroeg of hij zijn schilderijen kon ruilen tegen bijvoorbeeld een fotocamera. Kunst verkopen was uit den boze. Dollars aannemen was illegaal, daarvoor ging je de gevangenis in. Ilya’s droom was om al zijn werk Rusland uit te krijgen, om het veilig te stellen. En dat is hem gelukt.”

Toen Ilya Kabakov in 1987 de Sovjet-Unie kon verlaten, was hij in de rest van de wereld dus al beroemd. Emilia: „Ik werkte toen als kunstadviseur in New York. Galeries kwamen naar me toe met de vraag of ik met Kabakov kon praten omdat ze allemaal graag zijn werk wilden laten zien. Hij werd gezien als een exotische figuur. In Amerika werd hij als een held onthaald.”

Ook in Rusland worden de Kabakovs inmiddels als een verloren zoon en dochter omarmd. Volgend jaar wordt Ilya tachtig en zal hij in zijn thuisland groots worden geëerd met diverse tentoonstellingen in onder meer de Hermitage. Emilia vliegt deze week alvast naar St. Petersburg om de plannen daarvoor door te nemen. Wordt het na al die tropenjaren niets eens tijd om op de lauweren te rusten? Emilia Kabakov reageert verbaasd. „Nee natuurlijk niet, we blijven gewoon doorwerken tot we erbij neervallen. Ik vergelijk ons leven weleens met dat van musici of balletdansers, die klagen ook niet dat ze iedere avond op een andere plek moeten optreden. Je moet niet vergeten dat Ilya 55 jaar oud was toen hij uit Rusland vertrok. Al die tijd had hij geen tentoonstelling kunnen maken, geen kunst kunnen verkopen, geen kritiek gehad. Hij moest veel verloren tijd goedmaken. Er is nog zo veel dat hij wil zeggen.”

Lissitzky – Kabakov, Utopie en werkelijkheid. 1 dec t/m 28 april in het Van Abbemuseum, Eindhoven. Inl: vanabbemuseum.nl.