Stedenstrijd om culturele hoofdstad

Vijf Nederlandse steden horen morgen of ze kans maken Culturele hoofdstad van Europa te worden in 2018.

Illustratie Ron van Roon

Bij de start in 1985 was de gedachte helder: roulerende culturele hoofdsteden op het continent vergroten de aantrekkelijkheid van de Europese gedachte. Zevenentwintig jaar later blijkt dat tegen te vallen, zo blijkt uit verscheidene onderzoeken die de de Europese Commissie ernaar liet verrichten. Een noemenswaardig effect op „draagvlakvergroting van Europese integratie” is niet waar te nemen.

Toch ziet de Europese commissie de culturele hoofdsteden als een succes. Zozeer, dat Europa sinds 2001 zelfs twee culturele hoofdsteden per jaar kent. Begrijpelijk: kandidaat-steden staan elke keer weer in de rij. Ook nu, in Nederland, dat al twee keer eerder aan de beurt was; Amsterdam in 1987 en Rotterdam in 2001. Stadsbestuurders houden van het instituut, ook in evaluaties achteraf. Maar liefst 95 procent is tevreden, zo blijkt uit een vuistdik onderzoeksrapport van de internationale cultuuradviseur ‘Palmer/Rae Associates’.

In 2018 mag Nederland opnieuw een hoofdstad leveren. De zusterstad zal Valetta in Malta zijn, een stadje met 6.900 inwoners. Dit keer dingen vijf Nederlandse steden mee: Leeuwarden, Den Haag, Utrecht, Eindhoven en Maastricht. Morgen horen ze welke steden door mogen naar de volgende ronde. De jury bestaat uit zes Nederlanders en zeven buitenlanders die zijn aangewezen voor Europese instellingen. In het najaar van 2013 kiest de jury de uiteindelijke winnaar.

De Nederlandse kandidaten hebben er miljoenen euro’s voor over, zo blijkt uit de peperdure bidbooks die ze inleverden in Brussel. Eindhoven spant de kroon, met een gepland budget van 140 miljoen euro.

Culturele hoofdsteden betalen hun feest grotendeels zelf. De bijdrage van het bedrijfsleven komt zelden boven de twintig procent en de bijdrage van de EU is slechts 1,5 procent van de totale uitgave. De rest hoest de stad zelf op. Waarom doen ze dat? Omdat de effecten er naar zijn, zo menen raadsmeerderheden in alle vijf de steden.

Eindhoven schakelde de universiteit van Tilburg in om het effect te onderzoeken. Hoogleraar vrijetijdswetenschappen Greg Richards komt tot de conclusie dat culturele hoofdsteden van Europa gemiddeld twee keer zoveel verdienen als ze investeren. Gemiddeld kost het evenement zo’n 38 miljoen euro. Het levert gemiddeld 70 miljoen euro op, aan hotelovernachtingen, horeca-inkomsten, entreegelden, groei van het zakelijk toerisme, etcetera. Met uitschieters naar boven, zoals Liverpool, dat in 2008 een miljard euro binnenkreeg na een investering van 200 miljoen. Richards wijst voorts op de impact die het evenement heeft op de culturele sector en het imago van een stad.

Richards heeft ook berekend wat het voor de stadsregio, BrabantStad, betekent als Eindhoven de titel van Culturele Hoofdstad verovert. De bestedingen van bezoekers zullen tussen de 84 en 124 miljoen euro liggen. Reken daar de inkomsten in de culturele sector bij, plus toerisme, dan loopt de economische impact mogelijk op tot boven de 215 miljoen euro. De vijf steden van BrabantStad verdienen hun investering dik terug.

Wie de bidbooks leest, ziet dat de kandidaat-steden naast de economische voordelen, ook geloven in minder meetbare effecten, als groeiende gemeenschapszin, meer culturele diversiteit, een betere relatie tussen stad en platteland, en zo meer.

Die verwachtingen zijn overspannen, zegt cultuurwetenschapper Roanne van Leijden. In een studie aan de Erasmus Universiteit keek ze naar culturele hoofdsteden en concludeert ze dat van meetbaar rendement veel minder sprake is dan de opstellers van de bidboeken beweren. De kracht van kunst, zegt ze, schuilt in het onverwachte. En dus kan creativiteit niet worden voorspeld, net zo min als cultuur de demografische en sociaal-economische problemen van een stad kan oplossen. Op z’n best is de Culturele Hoofdstad „een prachtig feest”, een „explosie van kunst en cultuur”. Zoiets moet je niet politiseren, zegt Van Leijden. Dan wordt het een beleidsfeest.

Ze merkte het zelf als vrijwilliger in Cork, in 2005, toen die Ierse stad culturele hoofdstad was. In alle officiële rapporten werd het een succes genoemd, maar een medewerker vertelde haar dat hij liever niet met de auto met logo door de stad reed, omdat de burgers het evenement „als één groot fiasco” zagen.

Dat wil niet zeggen, zegt Van Leijden met grote nadruk, dat het een grote teleurstelling wordt voor de Nederlandse stad die wordt uitverkoren. Van Leijden wil geen spelbederver zijn: „Zo’n jaar cultuur kan geweldig zijn, als je kunstenaars zoveel mogelijk vrijheid geeft en zo min mogelijk buitenculturele effecten van hun werk verlangt.”

Een gemeenteraadslid dat er niet mee zit als spelbederver te worden opgevoerd, VVD’er Serge Hollander uit Leeuwarden, is bruusker. Een feest? Ja, wat wil je, voor 56 miljoen. Geen kunst. „Leeuwarden kandideert zich, zo bleek in raadsvergaderingen, omdat wij als politici de urgentie voelen de uitstroom van jonge mensen en dorpelingen te stoppen. Mooi, die urgentie voel ik ook. Maar ik denk niet dat miljoenen stoppen in een cultuurfeest de oplossing is.” Zijn fractiegenoot Gert Jaap van Ulzen: „En dat in tijden waarin mensen ieder dubbeltje omdraaien.”

En de naamsbekend van Leeuwarden dan? De groei ervan is een belangrijke doelstelling in het bidbook. Hollander heeft de laatste tijd aan mensen in zijn omgeving regelmatig de vraag gesteld: weet jij welke steden dit jaar culturele hoofdstad zijn? Hollander: „Bijna niemand wist het.” Het goede antwoord is Maribor in Slovenië en Guimarães in Portugal. Hollander: „Zeg eerlijk: dat moesten jullie ook opzoeken omdat jullie dit artikel schrijven.”