Profiteren van het sloppenwijktoerisme

Sloppenwijk Kibera in Kenia is geen plek voor toeristen. Te vies en onveilig. Kibera Tours neemt er mensen mee naar toe die meer willen zien dan wilde dieren en strand. Maar is het aapjes kijken of oprechte interesse?

Goentemarkt in Kibera, met naar schatting 500.000 inwoners de grootste sloppenwijk van Oost-Afrika. Foto AP

Een busje met toeristen wringt zich door de files, een recent fenomeen in de Keniaanse hoofdstad Nairobi. De vakantiegangers hebben met Charlie van Kibera Tours afgesproken bij Java House. Dit koffie- en eethuis met zijn gezonde salades staat symbool voor de opkomende middenklasse van Kenia. Vandaar is het vijf minuten lopen naar Kibera, met een geschatte half miljoen inwoners de grootste sloppenwijk van Oost-Afrika.

De overvolle achterbuurten van Nairobi worden geplaagd door misdaad, armoede en politieke manipulatie bij verkiezingen. Kibera Tours biedt een toer door Kibera, voor toeristen die meer willen zien dan wilde dieren en witte stranden. Een toeristisch bezoekje aan de armsten van de armen, is dat aapjes kijken of oprechte interesse?

Bij de toegangsweg van Kibera scherpen jongeren op een slijpsteen messen. Gids Charlie loodst het groepje buitenlandse bezoekers door de steegjes aan de rand van de wijk. De aangeboden waar blijkt veel goedkoper dan in de supermarkt. De sloppen van Nairobi hebben hun eigen, informele, economie. „Aan de rand van Kibera zijn de huren hoger, want iedereen wil hier een marktkraampje beginnen”, vertelt de gids.

„Is dat een bar?”, vraagt Shawn, een Britse vakantieganger. Charlie trekt het plastic gordijn bij de ingang weg en openbaart een groepje mannen die bordjes bonen eten. „Hier rechts ziet u een kliniek die Obama jaren geleden opende.” Veel buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders kwamen al een kijkje nemen in Kibera. Sinds een paar jaar is de enorme sloppenwijk ook het doel van toeristen. „Behalve de wilde beesten en het strand wil ik ook echte mensen zien”, zegt Shawn.

De bevolking van Afrika neemt nog steeds toe, van 180 miljoen in 1950 naar een geschatte 1,8 miljard in 2050. De Afrikaanse economieën groeien spectaculair, maar de groei van de krottenwijken gaat nog sneller. In de afgelopen zestig jaar is het aantal stedelingen elf maal zo groot geworden. Het rustieke, rurale Afrika van leeuwen en savannes verdwijnt, steeds meer bepalen de chaotische, bruisende steden het aangezicht. De meeste mensen die het platteland inruilen voor de stad, belanden in een sloppenwijk.

De toer van Kibera voert langs talrijke Keniaanse hulporganisaties. Het groepje toeristen gaat langs hopen afval, open riolen en piepkleine huisjes naar het eerste project, voor aidspatiënten. „We leren positief te leven”, vertelt Pamela in het met Afrikaanse prullaria behangen kantoortje. Haar verhaaltje eindigt met: „En nu moeten jullie een paar souvenirs kopen”.

De volgende stop is het poephuis, of in de woorden van hulporganisaties: het biogascentrum. In Kibera moeten tweehonderd inwoners het met één toilet doen. De sloppenwijk kreeg bekendheid door zijn ‘vliegende toiletten’: veel mensen gooien met feces gevulde zakken over de omheining. Het biogascentrum biedt hun een schoon toilet. De poep wordt omgezet in gas om te koken. Freddie, die bij het poephuis werkt: „Het kost vijf eurocent je behoefte te doen. En als je ’s avonds komt koken, betaal je tien shilling”.

Vervolgens mogen de toeristen even uitrusten bij een uitkijkpunt. Boven de eindeloze wirwar van grijze hokken torenen enkele flatgebouwen uit, een poging van de overheid om Kibera te ontlasten. „Wow, dat is goed”, zegt Shawn. Freddie spreekt hem tegen. „Een huisje hier kost twee tot vijf euro per maand, de huur in de flats bedraagt dertig euro. Daarom zie je hier geen winkeltjes. Geen handel, dat is dodelijk in Kibera. Wij kunnen de hoge huur niet opbrengen en zijn naar de rechter gestapt.” Shawn: „Wow, dat is slecht”.

Armoede laat zich niet oplossen met lapmiddelen. En misschien valt de dynamiek van Kibera niet te ontdekken op een toeristische toer. „Hé, blanke. Jij bezit een mooie camera”, roept een groepje gretige dieven naar Shawn, die het Kiswahili niet begrijpt en vriendelijk terugzwaait. Charlies reactie volgt prompt, ook in het Kiswahili: „Dit zijn mijn klanten. Laat ze met rust, vanavond krijgen jullie je aandeel”.

De peuters van het schooltje ‘Geloof in Onderwijs’ staan zingend op de toeristen te wachten. „De school is uit, de kinderen zijn nog even gebleven voor jullie”, zegt kleuterleider Florence, die de bezoekers welkom heet. Strontlucht van het poephuis waait voorbij, schurftige honden luieren in de zon, geiten knabbelen aan afval.

„Van de tachtig leerlingen zijn er tien aidswezen. Op deze school komen de armen, de kreupelen en de wezen”, vertelt Florence. „Ik heb er vier in mijn huis opgenomen.” Shawn wil weten hoeveel maaltijden de kleuters per dag krijgen. Florence had de vraag verwacht. „Thuis is er niets te eten”, antwoordt ze onmiddellijk. „Wij geven op school alleen één maaltijd als er geld is. Omdat we vorige week vrienden zoals jij op bezoek hadden, hebben ze deze week wat te eten.” Shawn trekt opnieuw zijn portemonnee.

Laatste stop van de Kibera Tour is een krot waar jongeren uit beenderen van het slachthuis kettinkjes en armbandjes maken. „U ziet, we verbeteren zelf ons lot”, zegt een beenbewerker. „Koop wat en u helpt ons onszelf te helpen.” Die opmerking past perfect in het handboek van iedere hedendaagse hulporganisatie. Shawn koopt een sleutelhanger met op het been geschreven: „Kibera is good”.

De sloppenwijk is goed. Wie wordt hier nu voor de gek gehouden? De toerist of de inwoner van Kibera? „Iedereen in da hood voert zijn eigen strijd”, vertelt John Okello, een inwoner van Kibera, later. „We verdienen geld met onze achterstand. Die jongens van Kibera Tours hebben het goed bekeken.”

In de Keniaanse pers verschenen negatieve stukken over het armoedetoerisme in Kibera. De activist Okiya Omtatah heeft in een artikel in de krant Standard kritiek geuit op zowel Kibera Tours als de hulporganisaties. „Het is een poging rechtvaardigheid te vervangen door liefdadigheid”, schrijft hij.

John Okello noemt dit moraliteit vanuit een comfortabele leunstoel: „Ik zie het dilemma niet. Als iemand mij geld betaalt om mijn huis te bezoeken, dan heb ik daar toch geen problemen mee. Wat me wantrouwig maakt, is dat die toeristen geld verdienen met foto’s van ons in Kibera”.

Gids Charlie wil nog zijn eigen keet laten zien. De toeristen hebben er na drie uur echter genoeg van. „Nu wil ik weg”, zucht Shawn. „Ik word hier claustrofobisch.” Charlie brengt ze terug naar de salades van Java House. „Hoe vond u het?”, wil hij nog van Shawn weten. „Deprimerend”, zegt de aangeslagen Shawn. Dat antwoord stelt Charlie tevreden. „Uitstekend”, zegt hij en neemt afscheid.