‘Museum populair én tegelijk diepzinnig’

Het Openluchtmuseum bestaat 100 jaar. Oud-directeur Jan Vaessen schreef een boek over de geschiedenis van het instituut. Centrale vraag: waar ligt de juiste balans tussen pretpark en museum?

Jan Vaessen: ‘Een goede hondenkar is een hondenkar die een verhaal vertelt.’ Foto Károly Effenberger

Het was, zegt Jan Vaessen, een wetenschappelijke etalagekast, ingericht door geleerden in de volkskunde. En het ging niet goed. In 1987 stelde de minister voor cultuur, Eelco Brinkman (CDA), zelfs voor het museum alle rijkssteun te ontnemen. Sluiting zou onvermijdelijk volgen. Dat werd ternauwernood afgewend, het museum verzelfstandigde en nam zich voor zaken anders aan te pakken, publieksvriendelijker vooral, levendiger, gastvrijer. Na de komst van Vaessen in 1990 ging het hard. Er kwam een rijdende tram, een werkende zuivelfabriek, de molens gingen draaien en het gebruik van poppen was niet langer taboe. Resultaat: het publiek kwam in grote getale.

Daar bent u trots op?

Vaessen aarzelt lang. „Natuurlijk. Maar niet in eerste instantie om de bezoekersaantallen. Gaat het je alleen daarom, dan kun je net zo goed een pretpark beginnen. Het gaat om de balans. Het is de uitdaging ‘to become populair and profound’, zoals een Engelse collega het noemde. Populair én diepzinnig.”

In uw boek Ervaring delen lijkt u museumdirecteuren van nu te waarschuwen: jullie schieten door.

„Dat klinkt misschien gek uit mijn mond, omdat ik juist een van de mensen ben die de afgesleten gedachte hebben neergehaald dat hoge kwaliteit altijd een klein publiek betekent. Uit die gedachte trokken mensen de totaal verkeerde conclusie dat een groot publiek altijd lage kwaliteit moest betekenen.”

U stelde ‘belevenis’ centraal?

„Dat is een misverstand. Ik weet nog goed dat ik geregeld van die consultants langs kreeg, die spraken over een ‘beleveniseconomie’ en dat ik ‘belevenissen’ moest organiseren. Ja, goed en aardig, zei ik dan, maar daar begint voor mij het denken pas. Want wélke belevenis ga ik organiseren? Om die vraag gaat het in een museum. Niet iedere beleving is goed. Het gaat er volgens mij om dat bezoekers het gevoel krijgen dat ze ‘ervaring delen’: met het museum en met elkaar. Dat geldt zeker voor een openluchtmuseum.”

Dat klinkt onomstreden. Dat wil iedereen.

„Nee hoor! Daar heb ik grote strijd voor moeten voeren. Hoe leg ik dit uit? Stel, het museum organiseert een tentoonstelling over hondenkarren. Dat kan interessant zijn, maar alleen als de conservator heel goed begrijpt dat hij geen kennerstentoonstelling maakt die slechts interessant is voor zo’n honderd andere verzamelaars, mensen die de fascinerende verschillen herkennen in trekassen en wielen. Gewone bezoekers hebben daar niets aan. Die willen het verhaal van de hondenkar en vooral van de trekhond. Dan toon je de karren die dat het beste vertellen. Dat zijn niet altijd de karren waar de verzamelaar de vingers bij aflikt. Ik ben altijd meer een verhalenman dan een voorwerpenman geweest. Voorwerpen zijn belangrijk, in ieder museum, maar vooral als ze als decor kunnen dienen van een verhaal.”

Kan een openluchtmuseum doorslaan in publieksvriendelijkheid?

„Ja, dan word je pretpark. Dat zie je in Amerika wel. Met attracties haal je mensen, maar je stopt met het vertellen van een verhaal. Het kan ook op een andere manier misgaan, wat je in Oost-Europa wel ziet. Nationalisme ligt bij ieder openluchtmuseum op de loer. Een museum voor volkskunde, wat openluchtmusea zijn, moet altijd oppassen niet de ‘zuiverheid’ van het volk te vieren: de edele, gewone man en zijn leven versus de kosmopolitische, vervreemde, gekunstelde elite. Niet voor niets dat de Duitse bezetter het openluchtmuseum helemaal zag zitten. En niet voor niets dat juist Duitse openluchtmuseumconservatoren nu heel voorzichtig zijn, bijzonder wetenschappelijk verantwoord bezig willen zijn. Reine Wissenschaft! In Engelse openluchtmusea, waar ik altijd met bewondering naar heb gekeken, zie je soms interieurs waar ze het werkelijk hebben laten stinken naar armoede. Prachtig vind ik dat, maar Duitsers zeggen dan: we weten niet precies hoe armoede rook.”

Een soort verzet waar u ook tegenaan liep in uw eigen museum...

„Er heerste een andere cultuur. Ik kwam in een museum waar het gewoon was onder conservatoren om de educatieve afdeling te waarschuwen met opmerkingen als: ‘liever saai dan slecht’. Om zo’n cultuur te veranderen, is piecemeal engineering nodig, stapje voor stapje, om de filosoof Karl Popper te citeren. Je moet met kleine veranderingen je eigen mensen laten zien dat jouw ideeën weldoordacht zijn en iets opleveren, voor de hele organisatie. Niet hard roepen hoe het allemaal anders moet.”

Twijfelde u nooit aan het eigen gelijk?

„Niet over het doel. Er waren ook veel momenten die me sterkten. Zo weet ik nog goed, het was op een zondagochtend in mijn tweede jaar in het museum. Ik was in de wasserij en ik hoorde hoe een vader zijn zoon uitlegde hoe kaas werd gemaakt, en hij wees naar de wastobbes. Ik dacht toen niet: wat een domme man, lees ’ns de bordjes aan de muur. Ik realiseerde me: we doen iets fout. Inmiddels is er een werkende wasserij, met medewerkers die laten zien hoe het werkt. Ik wist: we móeten leren denken vanuit de bezoeker. Klinkt nu misschien logisch, maar vergeet niet: toen ik kwam zagen nog veel medewerkers de bezoekers vooral als lastig.”

U haalde bijna het Nationaal Historisch Museum naar Arnhem. Het gaat niet gebeuren. Hoe kijkt u er op terug?

„Dat is niet een episode waar ik nu graag en enthousiast over vertel. Daarvoor is teveel energie verloren gegaan aan vergaderingen en dergelijke, met als uiteindelijk positief resultaat: een paar miljoen extra die het Openluchtmuseum en het Rijksmuseum mogen gebruiken ter versterking van hun functie als musea voor de vaderlandse geschiedenis. Wat ze natuurlijk al waren. Toch kan ik daar heus goed mee leven. Laat ik het zo zeggen: Nederland ligt aan de zee en daar is altijd veel deining. Prima toch?”