‘Ik vind altijd duizend redenen om wél te schrijven’ Scheppen Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

Hoe ziet de werkplek eruit van mensen die scheppen? Wat hebben ze nodig om tot hun creaties te komen? Aflevering 25: de Belgische schrijver Herman Brusselmans (1957), „verguisd en verafgood”. Hij woont en werkt in Gent.

‘Mijn werkplek is een bureautje in de hoek van mijn woonkamer. Een lange en smalle loft in het centrum van Gent. Er is een klein kamertje dat ik als werkkamer had bedacht, maar daar zit geen raam. Ik zit continu te roken, dus hier zit ik beter, met een groot raam dat ik open kan zetten. Op zich zit ik hier prima, maar ik mis wel een eigen kamer. In mijn vorige huis had ik dat wel, daardoor had ik ook veel meer boeken. Ik lees heel veel; als de stapel boeken te hoog wordt verkoop ik ze nu aan De Slegte.

Ik schrijf mijn romans vooral ’s nachts. Ik sta op om drie uur ’s middags en ga naar bed rond half zeven in de ochtend. Ik apprecieer de rust van de nacht. Zo in de donkerte bezig zijn geeft je het gevoel alleen op de wereld te zijn. Ik kan niemand bellen, alleen maar werken. Ik schrijf veel en doe dat ook gewoon heel graag. Gemiddeld verschijnen er twee boeken per jaar. Daarnaast schrijf ik acht columns. Verder heb ik veel verplichtingen: media, signeren, een studente die me wil interviewen. Het is belangrijk; het meeste is toch promotie voor een nieuw boek en ik heb altijd een nieuw boek. Veel vind ik ook echt leuk, zoals De Wereld Draait Door. Je komt nog eens ergens. Als je alleen maar binnen zou blijven om te schrijven word je een star, monomaan persoon die totaal geen contact en binding meer heeft met de buitenwereld. Veel mensen denken dat ik ook veel tijd besteed aan Twitter en GeenStijl, maar dat ben ik niet. Dat is een onbekende (Peter van Vliet, red.) die schrijft en twittert onder de naam Brusselmans. Ikzelf hou me totaal niet bezig met die onzin, ik heb niet eens een smartphone. Ik vind die social media debiele media; iedereen die zichzelf ineens belangrijk is gaan achten, over alles een mening heeft. Alles wat ik heb mee te delen, om het even aan wie, doe ik mondeling of via de literatuur.

Als ik ’s nachts aan mijn roman begin zit ik met duizend ideeën. Wat ik graag doe is dingen op z’n kop zetten, spelen met de tijd, spelen met de personages. Een biografie schrijven over een man die pas geboren wordt op pagina 250. In de eerste zin schrijven dat je eigenlijk niks te zeggen hebt maar dat je daar wel zeshonderd pagina’s over gaat doen.

Nu ben ik net aan een nieuw boek begonnen waarin ik een oude wens van mij verwezenlijk, want ik wilde altijd al een roman schrijven met een titel die zelfs ik iedere keer vergeet. Daar ben ik in geslaagd, want ik ben het ook nu weer vergeten. Ook hou ik ervan de fictie ineens te onderbreken door de werkelijkheid; dus hij dit, hij dat, en dan ineens een opmerking van de schrijver in de ik-vorm. Mijn vak is voor de helft literatuur en voor de helft spelen met literatuur. Recensenten houden er niet van als je de schrijverij op zijn kop zet – niet voor niets heb ik nog nooit een prijs gewonnen. Ze zijn over het algemeen ongelooflijk serieus. En ze kunnen niet tegen humor.

Humor is een deel van mijn vak, ik volg bijna alles. Hans Teeuwen en Herman Finkers zijn de echte uitschieters. Als ik hier ’s nachts een beetje triest en eenzaam zit ga ik even een leuke sketch kijken op YouTube. En ik lees veel, zo niet alles. Thrillers, veel over de Tweede Wereldoorlog, jonge schrijvers, de grote namen, alles. Remco Camperts boek Het leven is vurrukkulluk was ooit een eyeopener. God, die durft dat zo te schrijven, dacht ik toen ik dat voor het eerst zag – het kan dus: dat je iets volledig verkeerd spelt en daarmee wegkomt.

Een nieuwe roman bedenk ik niet van tevoren. Ik begin met de eerste zin, de tweede, derde, en dan ontstaat het vanzelf. Pas na een pagina of veertig begin ik zelf een idee te krijgen wat de plot moet worden, wat de personages zijn. Dan weet ik ook hoe het boek gaat eindigen. In die fase maak ik soms een paar schetsjes wat er grofweg in welk hoofdstuk gaat gebeuren. Maar verder niet. Ik doe alles uit het hoofd, het is allemaal verbeelding. Ik beleef ook niks, want ik zit altijd te schrijven. Bovendien, mijn stelregel is: als je één keer seks hebt gehad, moet je vijftig pornoromans kunnen schrijven. Je hoeft niet iets echt te beleven om het te kunnen schrijven. Je moet je fantasie gebruiken, dat wat in je hersens zit.

Als het niet lukt ga ik even wat lezen, kijk tv, en dan snel weer verder. Je moet niet te snel klagen, vind ik. Ik kan duizend redenen bedenken om niet te schrijven. Maar ik vind altijd duizend redenen om wél te schrijven. Ik heb bewondering voor schrijvers die een oeuvre opbouwen. Ik prijs me gelukkig dat ik opgroeide in de veehandel: daar moest je als kind gewoon meewerken. Een griepje? Niet zeuren, uit bed, de koeien melken. Maar er wordt meer en meer gezeken en geklaagd. Ook door schrijvers: ‘Ik ben nu drie jaar bezig en kan het even niet meer aan hoor, ik wil me gaan bezinnen, even iets anders gaan doen.’ Wat een mietjes.”