Ik hoor stemmen en ik spreek in tongen

The Shining is een klassieker. Doodeng en steengoed. Een afgelegen ingesneeuwd hotel. Een doolhof. Jack Nicholson, nietig manmensje, schrijft duizenden pagina’s vol met dezelfde zin: „All work and no play make Jack a dull boy.” Ik zie paranoia en ik voel het ook. Stanley Kubrick op zijn best. Kubrick was op zijn best in al zijn films. Lastige man. De schrijver W.F. Hermans claimde dat hij in zijn romans geen mus van het dak liet vallen zonder dat zoiets gevolgen had. In Kubricks films kon er op die vallende mus geen veertje bewegen zonder dat hij had verzonnen hoe. Zeggen ze.

Als er niets voor niets gebeurt, dan wordt een kunstwerk een complot van de maker. De documentaire Room 237 (ik zag ’m in het documentairefestival IDFA) bestaat uit complottheorieën over The Shining. Iemand ziet een vracht seksuele verwijzingen – waar? hoe? Ik doe mijn best, maar ik zie ze niet. Volgens een andere adept bekent Kubrick in The Shining dat hij de maanlanding van de Apollo 11 heeft geënsceneerd. Enzovoorts. Niet één theorie is plausibel. Al deze mensen bewijzen uitsluitend dat ook Kubrick niet almachtig was. En ze bewijzen dat ze zelf bezeten zijn van iets vluchtigs als een speelfilm.

Uit Room 237 blijkt de oerkracht van de verbeelding, Kubrick deed een voorzet, deze leden van zijn publiek werden gegrepen door zijn brille. Maar daar lieten ze het niet bij. Ze onderhouden een persoonlijke band met de film. Ze kennen hem door en door, ze raken er niet op uitgekeken. Ze vinden geluk.

Zo heftig als dit hoeft het niet te gaan. Maar dit is wel wat kunstwerken te bieden hebben. Het publiek zoekt. De kunst geeft. Het is een liefdesverhouding, die van beide kanten komt en de kunstenaar wordt buitenspel gezet. Of hij het zo bedoeld heeft of niet, kan niemand schelen. Het gaat nu tussen het kunstwerk en wie het omhelst.

En het verklaart waarom kunst als elitair wordt afgeserveerd – mensen zien een hartstochtelijke affaire, kijken vreemd op en voelen zich buitengesloten. Terwijl ze er best bij mogen. Kunst is niet monogaam.

En ik? Ik hoor stemmen en ik spreek in tongen. Want ik lees de biografie Paulus de Boskabouter of Het dubbelleven van Jean Dulieu.

Paulus doen vind ik moeilijk, maar mijn Eucalypta is nog altijd uitstekend. Kwestie van jarenlange training. Ik luisterde elke woensdagmiddag naar de radio voor de Paulusavonturen, en elke dag naar het grammofoonplaatje Paulus krijgt een brief, dat we als reclame van de wasserij hadden gekregen.

Dorinde van Oort, dochter van Dulieu en zijn biografe, schreef een vervaarlijk boek over een onvervulde man die zichzelf kwelde en zijn gezin erbij. Maar die ook garant stond voor het eerste literaire genot van een stuk of wat generaties prille Nederlanders. Vele voormalige Pauluskinderen eigenen zich de boskabouter nog altijd toe, ook nu ze volwassen zijn, vertelt de uitgeefster van de biografie. Ze melden zich bij haar en komen verhaal halen.

Waarom sloegen Dulieu’s Paulus-boeken zo aan? „Zijn verhalen zijn gemáákt om voorgelezen te worden”, vermoedt Van Oort. Jean Dulieu, opgeleid als violist, bespeelde de taal als een instrument, met zinnen als liedjes. Er zijn er die ik nóg kan zeggen. En nog zeg. Zoals, bij onverwacht bezoek: „Wel alleménsen. Daar zitten Oehoeboeroe en Salomo óók. Wat doen jullie híer?” Probeer maar. Dat deint helendal nogal wel-zo tamelijk buitengemeen zéér. Zou Dulieu’s uil Oehoeboeroe zeggen.

Ik kreeg de boekjes zo vaak voorgelezen, dat hun kartonnen kaften erbij hingen. Paulus en Pieter vond ik het mooiste, dankzij de „blurrepiep”. Elkaar als Laurel & Hardy ombeurten overtroevend, fantaseerden Paulus en Pieter onder meer „pannekoekpoten” en een „zeepstaart” voor dit monster. De taal als wapen tegen de terreur van de pestkop. Rein de vos sidderde . Ik lachte, en zag mogelijkheden. Nu nog.

Net zo veel deden me Dulieu’s tekeningen en aquarellen. Romantisch zijn ze, lichtelijk wreed. Soms bewegen ze bijna. Ze… Nu ja, ze zijn van mij. Ze onthulden me kennis over chaos en pervers geluk.

Er is een schilderij dat me biologeert, muziek die me woedend maakt, en ik ben eens gesust door toneel. Kunst kan diep raken. Soms wordt het een vriend. En met een vriend trek je op.