Hulp

Morgen is het 25 jaar geleden dat Simon Carmiggelt overleed. Een kwart eeuw! De tijd vliegt niet, hij verdampt, met veel mooie dingen die erbij hoorden, zoals de cursiefjes van Carmiggelt.

Ik liep deze week naar zijn borstbeeld in het Weteringplantsoen. Het stond er goed bij. Het fietsslot dat grapjassen aan zijn bril hadden gehangen, was verdwenen en er kroop in het matte novemberlicht een bruin spinnetje langs zijn gezicht omhoog.

Daarna ging ik naar drie Amsterdamse kwaliteitsboekhandels. Ze hadden geen enkele bundel van Carmiggelt in voorraad. „We kunnen er wel een voor u bestellen.”

Thuis pakte ik zijn onbekendste bundel van de plank: Kronkels Kronkelpaden, uit 1947. De enige verzamelbundel die niet door de Arbeiderspers, maar door Carmiggelts krant Het Parool werd uitgegeven. In het laatste stukje, ‘Eindconclusie’, zegt zijn zoontje over het beroep van zijn vader tegen een vriendje: „Mijn pappie is een kronkeltje.”

Carmiggelt schreef in die periode vanwege de papierschaarste columns van zo’n 350 woorden, korter dan gebruikelijk. „De stukjes zijn allemaal erg kort en compact”, schreef hij in de inleiding. „Het papierarme moderne dagblad heeft alle omhaal weggeblazen, die een schrijver van cursieve praatjes zich vroeger nog wel permitteren kon.” Later ging hij weer terug naar zijn oude lengte, minstens 650 woorden.

Kronkels Kronkelpaden is nooit herdrukt. De bundel is ook in de antiquariaten een zeldzaamheid geworden.

Ik kies een stukje, getiteld ‘Hulp’, waaruit Carmiggelt oprijst alsof hij nooit is weggeweest.

Toen ik gisteravond in Rotterdam was, schoten tante Bets en oom Arnold me opeens te binnen, want die twee spelen daar, in een buitenwijk, nu al jaren hun traag slotbedrijf. Ik kocht bloemen, tramde er heen en belde aan met een opgeschroefde familielach, ter bemanteling van een lichte wroeging, want mijn laatste bezoek was in de hongerwinter.

De deur werd opengetrokken door een krachtig meisje in blauwe zijde, dat vrolijk van de trap keek en vroeg of ik de drank kwam brengen. Achter haar in de kamer joelden stemmen en gramofoonklanken.

Ik dacht al aan een late orgie van oom, maar toen ik zijn naam noemde riep het meisje teleurgesteld, dat ik dan maar boven komen moest.

„Nóg een trap op,” zei ze toen ik naast haar stond en liep de kamer in, zodat ik mijn hand maar weer terug trok.

Helemaal in de nok van het huis vond ik lichtkiertjes langs de slaapkamerdeur en toen ik binnenging zag ik ze: tante Bets met haar vierduizendste handwerkje naast het nachtkastje en oom, besneeuwd van ouderdom, met loupe en krant op de bedrand. De theekopjes stonden op de grond.

Wel, wel, dàt was een verrassing. Ik mocht ook op het bed zitten en moest haarfijn vertellen hoe het thuis ging en of Jan van Anna nog zo sukkelde met de maag. Toen ik alles wat ik wist had opgespoten vroeg ik: „En dat meisje daar beneden – is dat ook familie?”

„Nee neef,” zei tante lief, „nee, dat is de dienstbode, zie je. Ja we hebben vreselijk gesukkeld eer we er een hadden, na de dood van Ka, maar déze wou wel komen, zie je, maar dan moest ze ééns, in de week, op Maandagavond, de beschikking hebben over de huiskamer en de serre, zie je, om eens wat vrienden en vriendinnen te ontvangen. Ach ja, zo’n kind is jong hè…”

Ze zweeg. De gramofoon beneden swingde.

„’t is Maandag vandaag,” zei oom verklarend en hij ging wat verder op het bed zitten.