Van dreigend onweer en doodshoofden

Beeldende kunst

In de schaduw van morgen. Neorealisme in Nederland. T/m 17/2, Museum voor Moderne Kunst, Arnhem. www.mmkarnhem.nl ****

De nieuwe tentoonstelling in het museum in Arnhem is een reprise van De bange jaren dertig, een expositie die in 1960 in hetzelfde museum te zien was. Voor het eerst werd er toen – in de museumzalen en in een begeleidende publicatie – een overzicht geboden van het neorealisme in de Nederlandse schilderkunst. Daarmee werd het soort schilderijen bedoeld dat Carel Willink, Pyke Koch, Raoul Hynckes, Johan Mekkink en Dick Ket vanaf de jaren dertig maakten.

Net als de schilders van de Neue Sachlichkeit in Duitsland braken zij met het modernisme, met de abstrahering. Hun werk is hartstikke figuratief. Glad en precies schilderden zij (zelf)portretten, stillevens en fantasievoorstellingen. Met name bij Willink, Koch en Hynckes wemelt het van de dreigende onweersluchten, de thrillerachtige scènes en de doodshoofden. Zulke schilderijen kunnen in verband worden gebracht met angst en onzekerheid over de crisis en de oorlogsdreiging. Met argwaan tegen de moderne kunst ook. Vandaar, de titel De bange jaren dertig.

In 1960, het jaar van de originele tentoonstelling, was het modernisme terug. Het realisme uit de dertiger jaren stond inmiddels in een kwade reuk: dat was conservatief, dat was rechts, dat was in het geval van Pyke Koch – fan van Mussolini en lid van de Kultuurkamer – zelfs fascistoïde. De draden van het expressionisme en de abstractie waren weer opgepakt en het neorealisme, dat vóór de oorlog in alle musea voor moderne kunst te zien was geweest, werd nu alleen nog door het Arnhems Gemeentemuseum getoond.

Met de tentoonstelling in 1960 definieerde dat museum zowel de kunststroming als zijn eigen specialisatie. Voor een indruk van het neo- of magisch realisme moest men voortaan in Arnhem zijn. Nog altijd onderscheidt het museum zich door zijn verzameling Willink en consorten.

Ruim vijftig jaar later zijn In de schaduw van morgen de schilderijen van de vijf neorealisten die in 1960 getoond werden, aangevuld met werk van Wim Schuhmacher en Edgar Fernhout – twee schilders die indertijd wel waren uitgenodigd, maar niet wilden meedoen. De reprise is daarmee vollediger dan de oorspronkelijke tentoonstelling. En ook de inrichting is anders. Zo hangen er in de tweede zaal schilderijen uit allerlei musea, die al in de jaren dertig werden aangekocht; in de derde zaal hangt al het werk dat begin jaren zestig – dus kort na de oorspronkelijke tentoonstelling – werd verworven door het Arnhems museum.

Wie meer op de schilderijen let dan op de structuur van de tentoonstelling, ziet gewoon een mooi overzicht van het Nederlandse neorealisme. De vaste museumcollectie, gelardeerd met bruiklenen. Maar wie de zaalteksten en de catalogus leest, ziet een tentoonstelling over een tentoonstelling, waarmee het museum inzicht verschaft in zijn eigen geschiedenis en zijn plaats in de Nederlandse museumwereld. Bovendien leert die bezoeker iets over de veranderende waardering van een kunststroming tussen 1930 en 2012. In de schaduw van morgen brengt het verschil tussen vandaag, gisteren en eergisteren aan het licht.