Vaandelvlucht van de droomkoningin

Koningin Wilhelmina in ballingschap in Londen, vermoedelijk 1942 Foto Nationaal Archief/Spaarnestad

Vandaag is het vijftig jaar geleden dat koningin Wilhelmina kort na middernacht op het Loo overleed. Haar biograaf Cees Fasseur heeft voor deze gelegenheid een boekje geschreven waarin hij het historische beeld van haar actualiseert. Historicus Niek van Sas las het boek en ziet een opvallende tweedeling in de beschrijving van het leven de vorstin.

Fasseur pretendeert in vergelijking met zijn tweedelige biografie uit 1998 en 2001 geen nieuwe wegen in te slaan, het gaat hem vooral om het bijstellen van het beeld. En soms om het veiligstellen van Wilhelmina’s historische reputatie, of die van hemzelf als biograaf.

In grote lijnen herneemt hij het verhaal van het frêle meisje met hangend haar (en soms buitenmodel hoed) dat in 1890 de laatste strohalm was van de nog maar kort tevoren rijk met mannelijk nageslacht gezegende Oranje-dynastie. Met haar moeder, koningin Emma, luidde zij een periode in van vrouwelijk koningschap die nu al meer dan 120 jaar duurt, veel langer dus dan de driekwart eeuw van de drie 19de-eeuwse koningen. Dat wordt nog wennen als prins Willem-Alexander straks de troon zal bestijgen.

Wilhelmina’s leven tot 1940 is hier vooral de aanloop naar een dieper gravende behandeling van haar finest hour, de oorlogsjaren 1940-’45. Dat accent is begrijpelijk want juist de oorlog is de afgelopen decennia een moreel ijkpunt geworden, waarin onvermijdelijk ook Wilhelmina’s rol ter sprake kwam, soms in kritische zin. Fasseur legt Wilhelmina langs de meetlat van dit voortschrijdend historisch inzicht.

Er zijn dan zeker minpunten te noteren zoals de not in my backyard-reflex waarmee zij in 1939 de bouw van een opvangcentrum voor gevluchte joden op de Veluwe tegenhield. Maar een ‘passief antisemiet’ werd zij daarmee toch zeker niet, argumenteert Fasseur. Datzelfde geldt ten aanzien van de relatieve afwezigheid van het thema jodenvervolging in haar toespraken voor Radio Oranje. Die is goed te verklaren met de kennis-van-toen die niet alleen bij haar, maar ook bij haar omgeving inclusief Britten en Amerikanen, verwacht mocht worden. Ook Churchill moest in 1944 nog worden uitgelegd waar Auschwitz lag.

Op leven en dood

Fasseur beoordeelt Wilhelmina aan de hand van de keuzes die zij in de oorlog gemaakt heeft. Dit is het existentiële criterium van een strijd op leven en dood dat de (zelf zeer foute) Duitse filosoof Carl Schmitt voor dergelijke keuzes heeft aangelegd en dat je in Wilhelmina’s uitspraken over Hitler als incarnatie van het kwaad bijna letterlijk terugvindt.

De beslissing, die haar zeer zwaar viel, op 13 mei 1940 het land te verlaten en de strijd vanuit Londen voort te zetten, werd op dat moment door vele landgenoten gezien als vaandelvlucht. Al snel bleek het niet alleen een begrijpelijke, maar zelfs zeer gelukkige beslissing.

Even cruciaal vindt Fasseur haar persoonlijke keuze, doorgedrukt tegen de zin van vrijwel het hele kabinet, zich te ontdoen van haar defaitistische minister-president Dirk Jan de Geer, de vleesgeworden neutraliteit en totaal ongeschikt om een land in oorlog te leiden. Wilhelmina zelf had naar eigen zeggen geen ‘last van m’n neutraliteit’.

Over de reputatie van De Geer is Fasseur onlangs in debat geraakt met diens biograaf Meindert van der Kaaij, die door hem wordt beticht van ‘witwasserij’. Maar als het gaat om de constitutionaliteit van De Geers ontslag is ook de jurist Fasseur niet helemaal tekstvast. In dit boek kan het ontslag ‘grondwettelijk nauwelijks door de beugel’, maar in de Elsevier-katern is hij strenger en ‘overschreed Wilhelmina ongetwijfeld de grens van haar constitutionele bevoegdheden’.

Zijn dispuut met Van der Kaaij is kenmerkend voor Fasseurs polemische, puntenscorende stijl. Wie hem te na komt, krijgt zijn trekken thuis. Dat geldt ook voor Geert Mak die wordt afgeserveerd als ‘woordvoerder van progressief-correct Nederland en bien-aimé aan het hof’.

Fasseur op zijn beurt wordt in diezelfde ‘progressief-correcte’ kringen soms gezien als een lakei. Dat is hij zeker niet, maar hij speelt wel graag de hofnar. Bijvoorbeeld wanneer hij koningin Wilhelmina opvoert als levend bewijs voor de stelling (met een knipoog naar Máxima): ‘De Nederlander bestaat.’

Wat Wilhelmina’s gedrag in oorlogstijd betreft laat Fasseur zien dat constitutionele maatstaven niet zo relevant zijn in een uitzonderingstoestand zonder parlement, waar Wilhelmina zichzelf zag als personificatie van de natie. En hoe zij toen haar toevlucht nam tot de gestaag binnendruppelende Engelandvaarders als een klankbordgroep vol jeugdig elan om uit te vissen wat er leefde in het vaderland.

Dat de door Wilhelmina vurig gewenste politieke ‘vernieuwing’ (en daarmee afrekening met de crisis van de democratie uit de jaren 1930) er na de oorlog niet kwam, was voor haar een diepe teleurstelling. Ongetwijfeld liep ze toen rond met dubieuze autoritaire denkbeelden.

Intussen bezorgde ze met haar finest hour tussen 1940-’45 de monarchie als nationaal symbool nieuw krediet en een nieuwe legitimatie. Het belang daarvan kan nauwelijks overschat worden en heeft er zeker toe bijgedragen dat het Oranjehuis de majeure crises tijdens de regering van haar dochter Juliana – kort gezegd: Hofmans en Lockheed – wist te overleven.

Perceptie

Als Fasseur schrijft over ‘Koningin Wilhelmina en de nationale gedachte’, zoals zijn ondertitel luidt, heeft hij het vooral over de oorlog. Historisch gezien is dat echter maar de helft van het verhaal. Ook de jonge Wilhelmina was in de hectische jaren rondom 1900 een nationaal, of beter nationalistisch icoon.

Daarmee is de historische perceptie van Wilhelmina zo langzamerhand geconcentreerd in (letterlijk) twee beelden: het gracieuze ruiterstandbeeld van de jonge vorstin op het Amsterdamse Rokin door Theresia van der Pant, en de oude Wilhelmina van Charlotte van Pallandt in Rotterdam en Den Haag, gehuld in vormeloos bont en zich ouder voordoend dan ze feitelijk was: nog geen zestig in mei 1940.

Voor het begrijpen van de oudere Wilhelmina is de droomkoningin van 1900 evenwel onmisbaar: voor haar zelfbeeld en haar toen gevormde, even historische als religieuze (dat wil zeggen protestantse) roepingsbesef. Willem van Oranje was haar rolmodel, de Tweede Wereldoorlog werd haar Tachtigjarige Oorlog. En met haar succesvolle toespraken voor Radio Oranje gaf zij het oude vereiste van de royal presence in het radiotijdperk nieuwe relevantie.

Niek van Sas