Tovereffecten van pop-ups

De UvA neemt het beheer over van talloze fraaie objecten van het Theater Instituut, waaronder de fascinerende 19de-eeuwse pop-ups van Pfeiffer.

Nederland, Amsterdam, 26-11-2012. Depot van Het Theater Instituut Nederland aan de Keienbergweg in Amsterdam. De unieke theatercollectie en de mediatheek van het TIN worden vanaf 2013 ondergebracht bij de Universiteit van Amsterdam. Daarmee is de bestaande collectie voor de toekomst veilig gesteld en blijft deze toegankelijk voor educatie en onderzoek, voor liefhebbers en professionals. De Stichting TIN blijft, zonder vast personeel, bestaan en zal zich blijven inzetten voor het levend houden van de Nederlandse theatergeschiedenis. Foto: Olivier Middendorp

Op een gure winterdag opent Tuja van den Berg, sinds 1982 archivaris bij het Theater Instituut Nederland, negen laden in het depot. Ze vormen een fractie van de 157.331 objecten die de twee loodsen op een bedrijventerrein in Amsterdam-Zuidoost herbergen. Daar liggen ook de pop-ups van François Joseph Pfeiffer Jr. (1778-1835).

De Decorateur en Eerste Schilder van de Amsterdamse Stadsschouwburg plakte de ontwerpen voor zijn gedaanteveranderingen op karton. Oude lijm houdt voortreffelijk. Ze zien er fris uit. Klaar voor gebruik.

Onder het kale werklicht komt de fantasie van Pfeiffer tot leven. Twee kruiken veranderen in woeste honden. Een mandoline neemt de gedaante aan van een volslanke vrouw en daarna van een vervaarlijke bok. In een boomstam schuilt een krakkemikkig huisje. Een rotspartij wordt een draak en vervolgens een bootje met peddelende en musicerende cherubijnen.

Hier zaten de toeschouwers in de schouwburg tussen 1820 en 1835 telkens op te wachten: de tovereffecten van Pfeiffer. Hoe meer hoe beter. Elke paar maanden genoten ze van nieuwe schitterende romantische decors en kostuums en allerlei vindingrijke transformaties van rekwisieten en zetstukken.

Per 1 januari 2013 komen deze en vele andere schatten, samen met de bibliotheek van het Theater Instituut Nederland, in beheer bij de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. De huidige expositie over 125 jaar Carré bij Bijzondere Collecties op de Oude Turfmarkt neemt een voorschot op presentaties uit de omvangrijke collectie van het theaterinstituut.

De stichting Theater Instituut Nederland (TIN) blijft weliswaar bestaan, maar de organisatie wordt ontmanteld. De actuele database van theaterproducties en ook de groeiende theaterencyclopedie, beide op internet, blijven intact. Slechts drie van de twaalf collectiemedewerkers onder wie de huidige depotbeheerder zullen een functie behouden, eveneens bekostigd door de stichting.

Het museum bestond al niet meer sinds de verkoop in 2009 van de monumentale panden op de Herengracht. Kantoren en mediatheek verhuisden naar een voormalig bankgebouw in de Sarphatistraat. Het personeel was al ingekrompen van 50 tot 39 fte en exposities werden elders gehouden. Door het beëindigen van de overheidssubsidie dreigde het erfgoed verloren te gaan voor wetenschappelijk onderzoek en publiekstentoonstellingen. Dat gevaar lijkt nu afgewend.

De totale waarde van de collectie wordt geschat op 68 miljoen euro, maar de werkelijke betekenis laat zich niet gemakkelijk samenvatten. De belangwekkende ratjetoe van objecten en documenten bestrijkt grofweg vier eeuwen, met de nadruk op de 19de en 20ste eeuw. Het bevat (schilder)kunst en vliegwerk, museale topstukken en curiosa, talloze correspondenties, fotomateriaal en theaterkostuums.

De twee- en driedimensionale theaterhistorie is grotendeels geïnventariseerd en toegankelijk voor onderzoek, maar tal van archieven zijn nog niet uitvoerig beschreven, laat staan ontsluierd. Zo bevat het archief van Wim Kan brieven van Annie M.G. Schmidt en van Jasperina de Jong die op studie wachten. Verspreid over de 1200 vierkante meter opslagruimte ligt materiaal waarmee onderlinge verbanden kunnen worden gelegd.

De ontwerpen van Pfeiffer zijn illustratief voor het belang van de collectie. Ze waren zeer gezocht onder verzamelaars. Nog lang na zijn dood werden zijn echte decors gebruikt, maar bij de brand van de schouwburg in 1890 gingen ze allemaal verloren.

Sinds 2009 is er ook een huiskamertoneel van de ontwerper in het depot opgeslagen. Snippertjes sneeuw uit de finale van de laatste voorstelling liggen op het toneelvloertje. Ook de nieuwe beheerder heeft (nog) geen plek voor dit kunstwerk ter lering en vermaak, met zijn wisselende decors, rollende zee en andere toneelmachinerieën.

Voorlopig blijven de depots in de Bijlmer de veilige en geheimzinnige haven van voorbije speeluren. Tijd en geld zijn nodig om theaterarcheologen grote en kleine vondsten te laten doen. En om de collectie levend te houden.

Voor de werking van het Kamertoneel, zie: wiki.theaterencyclopedie.nl.‘Carré 125 jaar Koninklijk Circus én Theater’, t/m 20/1, Oude Turfmarkt 129, Amsterdam.