Profvoetballer

Aan het begin van deze eeuw – dit klinkt al bijna als geschiedschrijving – zag ik bij Ajax de rechtsbuiten Andy van der Meijde spelen. Hij maakte nooit grote indruk op mij. Het was hooguit een ‘aardige’ buitenspeler, met een snelle passeerbeweging buitenom en soms een goede voorzet, maar zijn prestaties waren te wisselvallig. In interviews was hij een fletse persoonlijkheid, zoals zoveel voetballers.

Dat hij later over zijn half mislukte carrière nog eens een bestseller zou (laten) schrijven, zal ik destijds niet voor mogelijk hebben gehouden. Wat zou Andy van der Meijde ons kunnen schelen?

Misgerekend. Zijn autobiografie Geen genade is het enige boek dat momenteel op de bestsellerslijst kan wedijveren met de softpornoromans van E.L. James. Tegelijk met Geen genade kwam een biografie van Robin van Persie uit, een voetballer wiens veters zelfs niet gestrikt kúnnen worden door Van der Meijde. Niemand heeft het over dat boek van Van Persie. De reden is duidelijk: Van der Meijde schreef sportieve softporno, Van Persie zwijgt in die biografie.

Als oud-toeschouwer van Ajax was Geen genade voor mij een interessant leesavontuur. Ruim tien jaar na dato kon ik een onthullend kijkje achter de schermen nemen.

In die periode moest Co Adriaanse als coach bij Ajax weg. Ik heb nooit goed begrepen waarom. Uit Geen genade leer ik dat de spelers hem niet meer serieus namen.

Adriaanse gaf vaak een soort taakstraffen. Doelman Lobont moest een middag lang de telefoon bij de receptioniste opnemen, omdat zijn mobieltje tijdens een bespreking was afgegaan. „Co uitte zich op een manier die bij voetballers op de lachspieren kan werken. Hij maakte vaak opmerkingen of bewegingen die spelers nadeden als hij eenmaal uit zicht was verdwenen.”

Adriaanse exit. Maar zelf moest Van der Meijde bij Ajax ook opeens weg. Plompverloren zei directeur Arie van Eijden tegen hem: „We hebben een fax gehad uit Italië. Je bent verkocht aan Internazionale, wij hebben een akkoord met die club.” Van der Meijde: „Het gesprek waarin een van de belangrijkste mededelingen uit mijn leven werd gedaan, had nog geen vijf minuten geduurd.”

In Geen genade wordt duidelijk dat het wereldje van het topvoetbal voos en verpest is. Een beperkte speler als Van der Meijde kon jaren het feestbeest uithangen, bij twee grote buitenlandse clubs volkomen mislukken en toch twaalf miljoen euro aan salarissen vangen. „Ik heb maximaal misbruik gemaakt van mijn status als profvoetballer”, schrijft hij schuldbewust. „Tot op zekere hoogte heb ik een gedeelte van mijn loopbaan letterlijk verneukt.”

Als hij aan de zijlijn even opvallend geschitterd had als in bed of in de kroeg, hadden we er een nieuwe Cruijff bij gekregen. Hij was niet de enige die het nachtleven indook. Ook een aantal andere Ajacieden frequenteerde disco de Escape. Ik begin te begrijpen waarom dat elftal ook in die periode – met grote talenten als Ibrahimovic, Chivu, Mido, Van der Vaart en Sneijder – vaak tegenviel.

Dankzij incompetente clubmanagers en handige zaakwaarnemers konden jongens als Van der Meijde hun zakken vullen zonder er veel voor te hoeven laten. Inmiddels lijken de tijden te veranderen. Hetzelfde Internazionale waar Van der Meijde nog schatrijk kon worden, laat nu aan Wesley Sneijder weten dat ze zijn salaris niet langer kunnen betalen. Het goud begint op te raken, zelfs de voetbalbobo’s maken zich zorgen.