Lofzang op een topmoeras

Ooit inspireerden de Nieuwkoopse Plassen schilders, maar ondanks de enorme biodiversiteit raakte het gebied in de vergetelheid. Nu is een lofzang op dit ‘topmoeras’ verschenen. „Waarom altijd de Wieden en Weerribben?”

Het proces van verlanden trekt zeldzame plant- en diersoorten aan.

Wat vormen biologen toch een mooi volkje. Hanneke den Held doet als plantenkenner niets liever dan door de Nieuwkoopse Plassen in Zuid-Holland varen, in het veen wroeten en verrukt vertellen over wat ze in haar zwarte vingers heeft. Blijf daar maar eens onverstoorbaar onder.

Vandaag is het weer zo ver. Een boot ligt klaar naast de werkschuur van Vereniging Natuurmonumenten in Woerdense Verlaat. Het miezert en mist. We hebben nu even geen aandacht voor de protestborden van omwonenden: Stop de kolder, geen moeras in onze polder. We trekken het moeras in het voormalige turfwingebied in dat „uniek” schijnt te zijn. „Een Rembrandt onder de natuurgebieden.” Botanicus en poëzieliefhebber Hanneke den Held is de boot nog maar half ingestapt als ze meteen de dichter Bloem begint te citeren. „Het regent en het is november:/ Weer keert het najaar en belaagt/ Het hart, dat droef, maar steeds gewender,/ Zijn heimelijke pijnen draagt. Mooi.

Over de Nieuwkoopse Plassen is onlangs een boek verschenen: Op en top een topmoeras. Verschillende auteurs beschrijven aspecten van dit tweeduizend hectare grote laagveengebied: de turfwinning, de jacht en de visserij, het gebied als inspiratie voor schilders, de waterhuishouding, het succes van een kolonie purperreigers, de periode van vervuiling en daarna het herstel, met bijvoorbeeld de terugkeer van zeldzame vissen als modderkruiper en kroeskarper. De publicatie valt samen met graafwerkzaamheden die het hoogheemraadschap van Rijnland doet in samenwerking met Natuurmonumenten. Doel is de kwaliteit van het water in de Nieuwkoopse Plassen te verbeteren, de natuur te herstellen en het landschap uit de tijd van de turfwinning te laten herleven.

Meer dan 35 jaar geleden schreef Hanneke den Held samen met haar broer een boek over het gebied. Volgens een artikel in deze krant zou die publicatie het gebied definitief aan de vergetelheid ontrukken. „Niets bleek echter minder waar”, zegt Den Held. „De Nieuwkoopse Plassen bleven gewoon vergeten, in vergelijking met andere Nederlandse plassengebieden. Tot op de dag van vandaag.”

Ze kan er zich behoorlijk over opwinden. Andere natuurgebieden zijn de moeite waard zijn, zeker. „Maar waarom altijd de Wieden en Weerribben?” Het zijn nota bene gebieden die veel jonger zijn. Terwijl in de Nieuwkoopse Plassen eeuwen geleden de mensen hebben gezwoegd aan een landschap dat juist door dat menselijk ingrijpen een ongeëvenaard grote biodiversiteit kreeg.

Ja, er is alle reden om eens flink te toeteren over een van de kroonjuwelen van de Nederlandse natuur. Neem nu het „zeldzame duo” orchideeën: de groenknolorchis en de veenmosorchis. Hanneke den Held: „Let even niet op die lelijke namen. Nederland heeft veel vreemde namen voor planten. Zeg maar gerust kwalitatief uitermate teleurstellende namen. Maar de combinatie van deze twee orchideeën is uiterst zeldzaam. Die komt vrijwel nergens in Europa voor.” In het nieuwe boek omschrijft ze haar fascinatie voor de veenmosorchis: die „ziet er eigenlijk niet uit; het gewoonste graspluimpje is mooier. Maar áls je hem vindt, word je helemaal gelukkig, ten eerste omdat je erin geslaagd bent hem te vinden en ten tweede omdat hij op supermooie plekjes groeit, met allemaal zeldzame planten om zich heen”.

Maar ja, wie weet zoiets? Bijna niemand. Misschien moet Natuurmonumenten, beheerder van het grootste deel van het gebied, wat meer reclame maken. Boswachter Arjan Boon: „Nou, we geven er echt wel ruchtbaarheid aan, hoor. We hebben een nieuw bezoekerscentrum gebouwd. Er zijn nieuwe wandelpaden aangelegd. Sommige delen zijn afgesloten voor publiek, maar dat is beperkt. Er komen hier jaarlijks honderdvijftigduizend bezoekers.”

We varen naar het middengebied van de Nieuwkoopse Plassen. Ook hier werd tussen de zestiende en de negentiende eeuw grootschalig turf gewonnen. Dat was destijds, naast hout, een populaire brandstof. Met name de rijke steden in de omgeving werden voorzien. Zonder deze brandstof had Nederland nooit een Gouden Eeuw gekend, hoor je weleens zeggen. Het meeste veen werd opgebaggerd met zogenoemde baggerbeugels. Het water dat als gevolg van de turfwinning ontstond, werd een petgat of trekgat genoemd. Het veen werd uitgespreid op stroken land ernaast, de legakkers. Dit patroon van petgaten en legakkers typeert het landschap. Vooral het langzaam dichtgroeien van de petgaten na afloop van de turfwinning is ecologisch interessant; het proces van verlanden trekt allerlei zeldzame plant- en diersoorten aan. Maar als je niets doet, dan groeien de petgaten helemaal dicht. Dan krijg je op den duur bos. Broekbos. En dat willen de natuurliefhebbers niet. „Een bos is mooi, maar als je gevarieerde natuur wilt, moet je de petgaten weer uitgraven”, zegt Jacques de Raad, samensteller van het boek en vrijwilliger bij Natuurmonumenten.

Dat is wat hier gebeurt. We stappen uit. Het koude water klotst tegen je laarzen. Iemand trekt een berkje uit de grond. We kijken rond. Het najaar heeft de kleuren in het landschap verjaagd. Daar ligt een machine in het water, een shredder. Deze verkruimelt planten en hun wortels die door een kraan zijn verwijderd. In totaal wordt zo elf hectare dichtgegroeid moeras opengegraven. Pompen drijven vervolgens de groenbruine soep door een vijf kilometer lange leiding.

Met het materiaal worden in het oostelijk deel van de Nieuwkoopse Plassen leg akkers hersteld, vertelt projectleider Matthijs Timmer van het hoogheemraadschap van Rijnland. In dat oostelijk gebied wordt ook het water gereinigd van fosfaten, afkomstig uit enorme hoeveelheden poep van ganzen en aalscholvers. Ook bouwt het hoogheemraadschap stuwen en dammen om te voorkomen dat het voedselrijkere water uit de aangrenzende graslanden het hele plassengebied in stroomt. Tevens wil het hoogheemraadschap zo min mogelijk water inlaten uit omringende rivieren, ook al is dat soms nodig om het water op het afgesproken peil te houden. „Schoon water is hier voor ons topprioriteit”, zegt Timmer.

In de boot is het goed keuvelen. Het gesprek gaat over de noodzaak om als mens af en toe in te grijpen in de natuur, zodat niet enkele soorten de meer kwetsbare flora overheersen en de natuur als het ware genivelleerd wordt. „Want nivelleren is geen feest”, grapt iemand. Een paar jaar geleden al heeft Natuurmonumenten bij wijze van proef een nieuw petgat laten uitgraven. „Dat zou ik graag even willen laten zien”, zegt Hanneke den Held. We stappen uit de boot. Een haas schiet weg. We staan schommelend op het veen, dat onder je voeten trilt. Een onwerkelijk gevoel. Alsof je op een dik matras staat te dansen. Dit is een zogenoemde kragge of zudde, een dik pakket planten en mossen dat in de loop van tientallen jaren is aangegroeid. Ernaast bevindt zich het nieuwe petgat. Langs de rand groeien lisdodde en galigaan, een reuzenbies met blauwgroene bladeren zo scherp als een mes. „Waar is de hark?”, vraagt Hanneke den Held ongeduldig. De hark ligt in de boot. Ze sopt met haar laarzen in het veen, slaat de hark in het onlangs uitgegraven water en vist een hoopje groen op. „Kranswier.” Precies de soort die je krijgt in petgaten die schoon genoeg zijn. „Dit is nu kranswier.” Tevreden kijkt ze om zich heen en slaat vervolgens lachend en als een kind zo blij Matthijs Timmer van het hoogheemraadschap op de schouder. „Allemaal dankzij jullie schone water!”

Op en top een topmoeras. 198 blz, 26,50 euro. Verkrijgbaar bij webshop Natuurmonumenten.