Een moloch ontmanteld

Wel de kosten, niet de zeggenschap – daar hadden Limburgse gemeenten geen trek meer in. Ze lieten hun socialewerkvoorzienings- bedrijf Licom failliet gaan. Is versnippering een oplos- sing voor het probleem?

Opeens was Licom, het bedrijf dat twaalf sociale werkplaatsen in Zuidoost-Limburg runt en de grootste in Nederland is, failliet. Onder de ruim 4.000 ‘werknemers met een arbeidshandicap’ ontstond onrust. „Werk en loon waren gegarandeerd, maar deze mensen gaan zich toch dingen in hun hoofd halen”, vertelt Will Kapell, vakbondsbestuurder van de Algemene Bond van Werknemers (ABW).

„Licom had een héél erg lastige opdracht. Een gemiddelde werknemer in de sociale werkvoorziening kostte 30.000 euro op jaarbasis. Terwijl deze zo’n 25.000 euro opbracht. „Met zo’n 4.000 medewerkers leidde dat er toe dat elk begroting begon met een tekort van 20 miljoen euro”, concludeert curator Frits Udo. „Desondanks liepen tekorten terug.”

Niet vlot genoeg, vonden de elf gemeenten die meededen in Licom. Ze wilden al langer van het bedrijf af. Miljoenen euro’s steken in de sociale werkvoorziening – in kwetsbare werknemers die zelden in aanmerking komen voor reguliere banen – maar over dat bedrijf weinig zeggenschap hebben, dat wrong.

Licom zelf maakte wel plannen, maar pakte volgens de gemeenten niet door. In augustus raakten de gemoederen verhit: kwaaie koppen, schorsingen van aandeelhoudersvergaderingen en steeds vaker politici aan tafel: wethouders van Sociale Zaken namen hun wethouders van Financiën mee.

Pierre Verbraak, wethouder Arbeidsmarktbeleid van Landgraaf (PvdA) en woordvoerder namens de gemeenten: „We kwamen ook terecht in vervelende woordspelletjes. De commissarissen zeiden dat ze de mening van de gemeenten als een ‘gegeven’ beschouwden. Dan denk je: ‘Ah, daar gaan ze iets mee doen’. Dat bleek niet het geval. Een gegeven was voor de commissarissen een ‘vaststaand feit’, maar dat betekende niet dat zij vonden dat zij daarnaar moesten handelen. Nou, zo wilde ik geen zaken doen.”

„Wethouder Verbraak kletst uit zijn nek”, briest voormalig Licom-directeur Herman Vrehen. „In het voorjaar lag er al een transitieplan, waar ook de gemeenten blij mee waren. Daarin werd uitgegaan van een rijksbijdrage van 25 miljoen euro uit een herstructureringsfonds. Dat geld viel weg door de kabinetscrisis. Toen ontstond een nieuwe situatie. De gemeenten wilden haast maken en gingen daarbij steeds meer op de stoel van de commissarissen zitten. Dat leidde tot moeizame bijeenkomsten met veel schorsingen. Wat goed is voor gemeenten, is niet per se goed voor Licom.”

Op 24 september kwamen directie en commissarissen met een ‘doorkijk’. Verbraak: „We hadden duidelijk gevraagd om een plan. Het was iets vagers: een visie”. Op 27 september schoven de betrokkenen opnieuw aan tafel. Licom verwachtte overleg over de visie. Maar de gemeenten waren er klaar mee. Ze stopten met Licom.

„Dat ging niet om ons voorstel”, beweert Vrehen. „We hadden een aantal opties op tafel gelegd. Daar had binnen een maand een plan uit kunnen komen. Het moet iets anders geweest zijn.”

Ook de twee curatoren verbazen zich over de handelwijze van de gemeenten. Frits Udo: „In februari zijn ze akkoord gegaan met een begroting voor dit jaar. Die hield rekening met twee scenario’s. Als de Wet Werken Naar Vermogen zou worden ingevoerd, zou er op het einde van het jaar een tekort zijn van 7,5 miljoen euro. Als die wet er niet zo komen, werd rekening gehouden met 9,1 miljoen euro. Met de val van het kabinet-Rutte I werd de Wet Werken Naar Vermogen controversieel verklaard. Toen de gemeenten de stekker uit Licom trokken, leek het tekort ongeveer 9,5 miljoen euro te worden. Voor dat verschil van vier ton, te betalen door elf gemeenten, laat je een bedrijf niet failliet gaan. De jongste cijfers geven overigens aan dat het tekort in de buurt van de begrote 9,1 miljoen euro uit zal komen.”

Twee maanden na de gewraakte vergadering zijn de meeste activiteiten het failliete Licom verdeeld. De meeste onderdelen en het meeste medewerkers gaan naar het Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid-Limburg, lees de gemeenten. Andere activiteiten zijn overgenomen door reguliere bedrijven. „Voor andere bedrijven zoals Emma Safety Shoes nemen we de tijd”, zegt Udo.

„Niet netjes”, noemt Kapell, bestuurder van de Algemene Bond van Werknemers, het faillissement van Licom. En eigenlijk vindt hij dat nog een understatement. „Er zou eens naar gekeken moeten worden of lokale overheden op deze manier mogen stoppen met een organisatie die ze zelf in het leven hebben geroepen. Zo’n dertig medewerkers van Licom zijn zonder sociaal plan op straat gezet. De gemeenten trekken daar hun vingers vanaf, terwijl zij taken van de gemeenten uitvoerden.”

Had er, terugkijkend op de afgelopen jaren, ooit een Licom mogen zijn? Wethouder Verbraak vindt die vraag net iets te gemakkelijk. „Achteraf kun je een koe in de kont kijken, luidt de uitdrukking. Het paste toen bij de tijdgeest om als overheid taken af te schuiven. De eerste jaren schreef Licom zwarte cijfers. Met andere commissarissen en een ander management was het misschien wel gelukt om de verliezen terug te brengen. Achteraf, alles overziend, denk ik niet dat we de keuze voor privatiseren nu nog zouden maken.”

Voorlopig houdt Zuid-Limburg verhoudingsgewijs veel werknemers die zijn aangewezen op de sociale werkvoorziening. Deels een erfenis van de mijnsluitingen, toen mensen makkelijk naar deze regeling werden afgeschoven.

„We zullen ons aan de eigen haren uit het moeras moeten trekken”, zegt de Landgraafse wethouder Verbraak. „Met versnippering los je het probleem niet op”, waarschuwt vakbondsbestuurder Kapell. „Er moet juist een einde komen aan de verkokering. Het is fnuikend als het reguliere bedrijfsleven steeds verschillende instanties aan de deur krijgt. Zuid-Limburg is één arbeidsmarkt.”

Vrehen is dat met Kapell eens: „Het probleem zit inmiddels in het dna van de regio. De tweede en derde generatie werknemers die is aangewezen op de sociale werkvoorziening dienen zich aan. Licom had behalve zijn meer dan 4.000 medewerkers nog een wachtlijst met duizend mensen. Die aantallen zie je niet terug in statistieken met WW’ers, omdat deze mensen onder andere regelingen vallen. Idealiter zou je met de provincie een regionaal arbeidsmarktbeleid vormgeven. De beweging die we nu maken naar elf kleine deelgebiedjes staat daar haaks op.”

Volgens Vrehen, ex-directeur van Licom en daarvoor gedeputeerde van Economische Zaken namens het CDA, vergt zo’n bredere aanpak vertrouwen in elkaar. Daar ontbreekt het volgens hem aan. Bij de provincie in Maastricht besturen coalities met een sterke stem voor VVD en CDA. In de Parkstad zijn de meeste colleges van linkse signatuur, met een sterke inbreng van PvdA en SP.

De voormalige directeur van Licom ontwaart die rode kleur ook in de ingreep van de afgelopen maanden. Licom ontstond in 1996, in een tijd waarin het neoliberale denken domineerde en het vertrouwen in de markt groot was. Nu gaat alles in hoog tempo terug naar de overheid.

„Van het ene uiterste naar het andere uiterste”, oordeelt Vrehen. „Dit soort abrupte bewegingen levert altijd onrust, frustraties en teleurstellingen op. Bovendien zijn sommige onderdelen van Licom nu zo haastig losgeknipt, dat daarmee lijnen verloren zijn gegaan waarlangs je normaal mensen van beschut werk naar gewoon werk kunt brengen.”

Hubert Savelkoul, met Frits Udo curator bij Licom: „De aanname is, dat nu de gemeenten er zelf weer helemaal bovenop zitten, ze de zaken ook beter in de hand kunnen houden. Daar plaatsen wij vraagtekens bij. Er is deskundigheid verloren gegaan, net als de synergievoordelen van meerdere bedrijven onder één koepel.”