Een en al dwaalspoor

Wat valt er in Anna Karenina van Lev Tolstoj niet allemaal te zien, te voelen en te wervelen. Ja, dat moet in de bioscoop. Steeds opnieuw.

Nu nog op de trein: Keira Knightley treedt als Anna Karenina in de voetsporen van Greta Garbo (1935) en Vivien Leigh (1948)

Om het huwelijk van haar flierefluitende broer te redden, spoort Anna Karenina van het wereldse Sint-Petersburg naar het provinciale Moskou. Ze weet haar broer en zijn vrouw te verzoenen, maar op het gladde parket van de balzaal ontkiemt het verval van haar eigen huwelijk. Wat begint als een flirt met een onstuimige officier, ontspoort tot loeiende hartstocht.

Vrouwen kunnen niet flierefluiten, dat is het probleem. Anna kwam met de trein, en ze eindigt ermee: tussen de zwarte stalen wielen vlucht ze de dood in.

Weinig romans smeken zo om verfilming als Anna Karenina (1878) van Lev Tolstoj. Liefde en haat. Trouw en ontrouw, echtbreuk en moederschap. En dat allemaal in de vergulde salons van het adellijke negentiende-eeuwse Rusland. Wat valt er in dit boek niet allemaal te zien, te voelen en te wervelen! Ja, dat moet in de bioscoop. Kan niet missen.

Na de eerste Anna Karenina-film, gemaakt in Duitsland in 1910, was het hek van de dam. Die met Greta Garbo (1935) geldt als meest geslaagde. Die met Vivien Leigh (1948) is de favoriet van de fijnproevers.

Maar zo simpel is verfilming nog niet.

Neem alleen al de zin waarmee Tolstoj zijn roman opent: „Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen manier”.

Eerste zinnen zijn cruciaal. De theorie wil dat in een eerste zin de complete daarop volgende roman besloten zit. Hier niet. Tolstoj formuleerde een treffende mijmering, maar voor Anna Karenina betekent deze openingszin niks. Dat boek gaat niet over gezinnen. Kinderen zijn bijzaak, huis en haard zijn hol en worden gerund door inwisselbare bedienden. Ook al krijgen alle stellen kinderen, Anna en haar minnaar incluis, dit boek gaat niet over vaders en moeders. Dit gaat over echtparen.

Anna Karenina is een en al dwaalspoor, een spiegelpaleis van geluk, ongeluk, meningen en besognes. Anna zelf bedwelmt je met haar melodrama, door roekeloos te leven op de klanken van de wals, te beminnen op het ritme van het getrappel van ren- en koetspaarden, te lijden onder toeziend oog van de Russische adel. Ook haar einde omschreef Tolstoj even overweldigend als verwarrend: Anna springt niet onder een trein, ze laat zich tussen twee wagons „op de knieën vallen.’’ En ze doet dat „als wilde ze dadelijk weer opstaan’’ (vertaling Wils Huisman).

Die aarzeling bij de rails hebben de meeste filmers gesuggereerd met het gepuf van de stoomlocomotief, en voltooid met de mantel der liefde van sneeuwvlokken. De Karenina-verfilmingen eindigen traditioneel met Anna’s suicide. Maar Tolstoj gaat nog 60 pagina’s verder, met de ándere component van zijn roman: het nadrukkelijk gelukkige huwelijk van de hereboer Lewin en zijn onschuldige Kitty, nichtje van Anna, en aanvankelijk óók dodelijk verkikkerd op Vronski. En Tolstoj eindigt zijn roman met Lewins ode aan de zin van het leven: „Mijn hele leven, elk ogenblik ervan, is nu, onafhankelijk van wat er nog met mij kan gebeuren […] onmiskenbaar zinvol geworden.’’

Zinvol. Tja. Dat ondergraaft Anna’s dood als de heldendaad van een door man, minnaar en milieu verstoten vrouw. Deze slotalinea maakt van haar bij nader inzien een zelfmoordenares die fataal verkeerd begreep wat dat betekent, gelukkig zijn.

Zie die subtiliteit maar eens aan te pakken, in je film.

Verfilm Anna Karenina en Tolstoj vermorzelt je, met 800 pagina’s verbazing over de menselijke soort die hij verpakte in de Russische beau monde als een microkosmos, waar het leven traag is en daardoor dubbel enerverend.

De verfilmer van Anna Karenina kan maar één ding doen. Terugslaan. Zich Anna eigen maken. Denken: Wat nou, Tolstoj!

Tom Stoppard (scenario) en Joe Wright (regie) maakten er nu weer één. Zij houden overduidelijk van Tolstoj’s roman en ze adoreren zijn heldin. Maar hun hartstocht heeft hun handen niet gebonden. Het boek is een uitgangspunt. Ze eigenen zich Anna toe. Ze laten zich niets gelegen liggen aan idolate lezers, die een verfilming pas zullen prijzen omdat hij „zo trouw aan het boek’’ zou zijn. Even onbarmhartig snoeren ze de mond die de dooddoener ‘Het Boek Was Beter’ uitspreekt. Dat vinden ze namelijk wartaal. Een film kan alleen beter of slechter zijn dan andere films. Met een film herschrijf je niet een boek, je maakt een film. Dat lijkt een open deur maar dat is het niet. Het betekent dat niets heilig is. Ook Anna Karenina niet.

Traditioneel draait de verfilming van Anna’s drama om haar en haar overspel met de onweerstaanbare graaf Vronski. Vronski is een fijn kluifje voor de filmheld van dienst: van John Gilbert (1927) en Fredric March (1935) tot Sean Connery (1961), Christopher Reeve (1985) of Sean Bean (1997). Dus toen ik begin dit jaar las dat er een Karenina-verfilming ophanden was met Jude Law in een van de hoofdrollen, nam ik automatisch aan dat hij graaf Vronski zou spelen.

(Jude Law! Good thinking! Met die sjansende ogen, die sensueel krakende stem, nu ja, met al dat zelfverzekerde sexappeal.)

Maar ik zat ernaast. Vronski wordt gespeeld door Aaron Johnson, een mooie jongen met slaapkamerogen. Echt iemand om als getrouwde vrouw je hoofd aan te verliezen. Maar wel een melkmuil.

En Jude Law dan? Die speelt Aleksej Aleksandrovitsj Karenin. De echtgenoot. En met die keuze gaat deze Anna Karenina niet over Anna en haar amant, maar over Anna en haar man.

In andere verfilmingen werd Karenin weggezet als een ouwelijke sikkeneur. Jude Law maakt van Karenin een gelaagde, tragische figuur. Hij is de man die alles wil houden zoals hij het voor elkaar heeft. En dat kan niet.

Deze Karenin zou onweerstaanbaar kunnen zijn, maar dat weet hij zelf niet. Hij houdt van zijn vrouw en zij van hem. Hun huwelijk kon geweldig zijn, maar ze bederven het samen.

Scenarist Stoppard en regisseur Wright situeren de geschiedenis van hun ongeluk in het theater. Letterlijk. In de coulissen bivakkeren het dienstvolk en de arbeiders – zij zijn figuranten die op hun beurt wachten. Anna en de andere hooggeplaatsten verkeren op het podium, dat uitdijt zoals het uitkomt. Het biedt toegang tot landerijen, velden, een besneeuwd perron. Het kan een schuimende balzaal zijn, of een eindeloos kantoor. Of het is plotseling een renbaan, dan stuiven er paarden voorbij. Het publiek? Dat zijn de spelers zelf. Dit is een microkosmos, ik zei het al.

De Tolstoj-fanaten zullen steigeren. Deze aanpak is radicaal en onbesuisd. Maar hij doet niets anders dan vertellen zoals alleen film dat kan: met gevoelens en redeneringen per oogopslag. Zo werpt hij ons het drama van alle personages in Anna Karenina voor de voeten: hun leven is een toneelstuk. Ze weten van wieg tot graf hoe ze zich zullen gedragen, ze kennen hun plaats. Ben je rolvast dan is er niets aan de hand. Maar val je uit je rol, sla je aan het improviseren en laat je je niet meer souffleren door hen die het beste met je voor hebben, dan ben je verloren. Je bederft het stuk, en daarmee bederf je het voor iedereen om je heen. En dat wordt je niet vergeven.

Anna is dood, de film gaat nog even door, met een idylle: Karenin zit buiten, twee kinderen van Anna (zijn eigen zoon en Vronski’s dochtertje) spelen om hem heen. De filmers eindigen met Karenin, zoals Tolstoj zijn boek besloot met Lewin. Karenin is melancholiek, maar gelukkig. Het leven heeft zin.

Anna Karenina. Regie: Joe Wright. Vanaf volgende week in de bioscoop.