De strijd over de strijd

Presteren mensen beter als ze concurrentie hebben, of juist niet? Het is zo’n basale vraag dat je zou denken dat de wetenschap daar inmiddels wel een antwoord op gevonden heeft. Maar een overzichtsartikel dat onlangs online werd gezet bij het wetenschappelijke tijdschrift Psychological Bulletin haalt de oude Romeinse dichter Ovidius erbij, en de zeventiende-eeuwse Britse filosoof Thomas Hobbes, en ook nog de Hongaarse componist Béla Bartók. En dan weet je het wel: ze zijn er nog lang niet uit.

Ovidius zou geschreven hebben: „Een paard rent nooit zo snel als wanneer hij andere paarden heeft om in te halen en van te winnen.” En inderdaad, bij sommige relatief eenvoudige taken kunnen ook mensen zich optrekken aan anderen. Maar daarbij hoeft geen sprake te zijn van concurrentie. Bij wielrennen kunnen ploeggenoten elkaar helpen door de haas voor elkaar te spelen; dat is samenwerking, geen strijd.

Thomas Hobbes, schrijven de psychologen in het artikel, meende dat competitie de motivatie ondermijnt en dat mensen daardoor slechter gaan presteren. Mensen geven competitie dan ook graag op voor een situatie waarin ze niet met elkaar hoeven te concurreren. Of, zoals Béla Bartók het verwoordde: competitie is voor paarden, niet voor kunstenaars.

Maar tot zover is het allemaal nog filosofie. Wat zegt het onderzoek – is competitie goed of slecht? Om daarachter te komen, zochten de psychologen in de wetenschappelijke literatuur naar artikelen waarin op de een of andere manier competitie en prestaties waren gemeten. Allerlei soorten prestaties: examencijfers, sportprestaties, verkoopcijfers, creativiteit, snelheid van probleem oplossen, hoeveel mensen konden onthouden... Ook competitie werd op verschillende manieren gemeten: hoe competitief mensen zelf waren, hoe competitief ze hun omgeving vonden, en hoe competitief die omgeving qua structuur was, dus of er concurrentie was.

En wat kwam eruit toen de psychologen die tientallen experimenten met duizenden proefpersonen op een hoop veegden en er hun statistische analyses op loslieten? Niets. Competitie bleek geen, of op zijn hoogst een verwaarloosbaar klein effect te hebben op prestaties. Meer onderzoek was nodig, zagen de psychologen direct in, dus ze deden nog wat aanvullende experimenten. Die lieten zien hoe het kwam dat competitie geen effect had. Als mensen concurrentie voelden, dachten ze aan de ene kant: „Oh, dan moet ik het wel goed doen” – en daardoor gingen ze inderdaad beter presteren. Maar ze dachten ook: „Oh jee, als ik het dan maar niet slecht doe” – en daar gingen ze slechter van presteren.

En nu? De onderzoekers willen geen standpunt innemen over de waarde van competitie in bijvoorbeeld bedrijven. Misschien is er wel een betere manier dan strijd om het beste uit mensen te halen? De strijd tussen voorstanders en tegenstanders van strijd is voorlopig onbeslist.