De 'gemaskeerde epilepsie' van Van Gogh

‘Melancholie’ en ‘gemaskeerde epilepsie’. Die diagnose kreeg Vincent van Gogh. Hij werd er somber van.

Vincent Van Gogh Portait of Dr Felix Rey, 1889 Oil on canvas 64 x 53 cm The State Pushkin Museum of Fine Arts, Moscow Photo © The State Pushkin Museum of Fine Arts, Moscow

Nadat Vincent van Gogh een stukje van zijn oor had afgesneden werd hij nog bloedend opgenomen in het ziekenhuis van Arles. Dat was in 1888. Hij kwam er drie keer terug. Van Gogh had ernstige psychoses met woedeaanvallen, hallucinaties en wanen. Manie aiguë avec delire géneralisé, in de woorden van dr. Urpar, de geneesheer-directeur van het ziekenhuis in Arles.

Uiteindelijk liet Van Gogh zich een jaar vrijwillig opnemen in de psychiatrische kliniek in Saint Remy. Hoogstwaarschijnlijk was het dokter Felix Rey die hem daar de nu vreemd klinkende diagnose ‘gemaskeerde epilepsie’ gaf.

Dat klinkt, hoewel epilepsie een ernstige ziekte kan zijn, geruststellender dan psychose en waanzin. Bij epilepsie denken de meeste mensen nu aan een patiënt die met verkrampte spieren neervalt. „Maar in de tijd van Van Gogh duidde ‘epilepsie’, althans in Frankrijk, op een ernstige ziekte, een voortgaande degeneratie van lichaam en geest”, zegt filosoof Marlies ter Borg.

Ter Borg schreef samen met epilepsiedeskundige Dorothée Kasteleijn-Nolst Trinité een artikel over de culturele context van de diagnose, deze maand gepubliceerd in het medisch-wetenschappelijke tijdschrift Epilepsy & Behavior. Met citaten uit brieven laten ze zien hoe Van Gogh zich in de diagnose verdiepte, over de gevolgen dacht en er waarschijnlijk ook zijn leven naar inrichtte.

Tegenwoordig wordt vaak gedacht dat Van Gogh leed aan een bipolaire stoornis, wellicht gestimuleerd door alcohol of andere stoffen in Van Goghs lievelingsdrank absint. Het is een ziekte met episoden van normaal leven, depressie, manie en perioden waarin de creativiteit sterk verhoogd kan zijn. Ter Borg is in Van Gogh geïnteresseerd omdat zij de creativiteit van mensen met een bipolaire stoornis bestudeert: „En ik heb zelf een bipolaire stoornis. Goed behandeld met lithium.”

De invloedrijke Franse arts Bénédict-Augustin Morel muntte in 1857 de term ‘gemaskeerde epilepsie’, zo vonden Ter Borg en Kasteleijn in bronnen uit Van Goghs tijd. Destijds kwam naast de psychiatrie de neurologie op. Franse artsen zagen epilepsie toen als een neurologische ziekte, veroorzaakt door toenemende degeneratie van de hersenen. Gemaskeerde epilepsie werd een modediagnose voor mensen zonder de nu vertrouwde epilepsiekenmerken, maar met de veronderstelde achteruitgang in bewustzijn, gevoel en gedrag.

De artsen uit die tijd schreven dat buitenstaanders die vorm van epilepsie moeilijk konden herkennen. Rey, die Van Gogh de diagnose waarschijnlijk gaf, kende een vroegere collega die twee jaar later op epilepsie larvée mentale zou promoveren.

Voor de broers Theo en Vincent van Gogh, die een intensieve briefwisseling onderhielden, was de epilepsiediagnose in eerste instantie geruststellend. Ter Borg en Kasteleijn citeren Theo van Gogh. Die heeft behandelend arts Peyron gesproken en schrijft op 4 oktober 1889 aan Vincent: „Hij beschouwt je helemaal niet als gek en zegt dat je crises een epileptische oorsprong hebben.”

Maar in de ogen van Morel was epilepsie óók een erfelijke ziekte die van generatie op generatie zou verergeren. En de vooruitzichten voor een patiënt met gemaskeerde epilepsie waren volgens hem niet gunstig. Morel steunde het in die tijd heersende idee dat alle geestesziekten ontstonden door hersenafwijkingen, schrijven Ter Borg en Kasteleijn.

Morels ideeën pasten ook goed bij een toen gangbare, pessimistische interpretatie van Darwins evolutietheorie. Die wilde dat de survival of the fittest ook tot verliezers leidt. Dat zijn degenererende families, waarin bijvoorbeeld geestesziekten voorkomen, die in volgende generaties verergeren tot imbeciliteit en steriliteit. Van Gogh, die goed wist dat ook zijn zus Wil en broer Theo last van geestesziekten hadden, schrijft in 1889 aan Theo: „onze neurose enzo komt ongetwijfeld ook voort uit onze iets te artistieke levenswijze, maar het is ook een fatale erfenis, want in de beschaving zullen we van generatie op generatie zwakker worden.”

Ter Borg en Kasteleijn speculeren dat dit vooruitzicht Van Gogh tot zelfmoord heeft gedreven toen zijn kleine neefje Vincent ziek werd. Maar Van Goghs ziekteinzicht heeft ook een positieve kant gehad, schrijven ze. „Hij nam de prognose van degeneratie serieus. Het gaf hem waarschijnlijk een gevoel van urgentie.”

Van Gogh schrijft op 19 september 1889 aan zijn moeder, nog maar een half jaar voor zijn zelfmoord: „Mijn gezondheid is in de tusschentijden zóó goed en mijn maag zooveel beter dan vroeger dat ik geloof er nog jaren tusschen liggen kunnen eer ik geheel ongeschikt worde, ’t geen ik aanvankelijk vreesde direkt het geval zou zijn.”