Selectie van embryo's groeit met 11 procent

Het aantal paren dat is doorverwezen voor embryoselectie neemt toe. Vorig jaar ging het om 349 stellen, 11 procent meer dan in 2010. Dit blijkt uit de gisteren gepubliceerde rapportage over embryoselectie.

Het betreft telkens mensen die weten dat ze drager zijn van een erfelijke ziekte en die gezonde kinderen willen. Ze laten bekijken of het verkeerde gen in het embryo zit. Als dat zo is, wordt het embryo vernietigd. Zo niet, dan wordt het embryo in de baarmoeder van de vrouw geplaatst.

De methode bestaat pas vier jaar en wordt alleen toegepast in het academisch ziekenhuis van Maastricht. De lijst met ziektes die genetisch op te sporen zijn groeit: van erfelijke darmkanker, eierstokkanker en borstkanker tot de ziekte van Pompe en taaislijmziekte.

Embryoselectie stuit op verzet van christelijke politieke partijen. Zij vinden dat een embryo überhaupt niet mag worden vernietigd. Bovendien, zeggen zij, waar ligt de grens? Wat als er een gen wordt ontdekt voor autisme? Worden die embryo’s dan ook weggegooid? Uit recent onderzoek bleek dat Nederlanders zich zorgen maken over de opkomst van technieken die op de mens toegepast kunnen worden om hem mooier en sterker te maken.

Het is onbekend hoeveel vrouwen bijvoorbeeld drager zijn van het gen voor borstkanker. In de regio Utrecht gaat het om zo’n driehonderd families, bleek uit onderzoek van het lokale academische ziekenhuis. Alle vrouwen in zo’n familie krijgen DNA-onderzoek aanboden. In Utrecht doen daaraan zo’n 300 vrouwen per jaar mee. De methode om dragers te vinden, staat nog in de kinderschoenen.

De technieken om ernstige afwijkingen op te sporen bij ongeboren kinderen worden steeds beter. Zo krijgen alle zwangere vrouwen sinds 2007 een echo aangeboden bij twintig weken zwangerschap. Daarop kan de gynaecoloog afwijkingen als een open rug zien. Tot 24 weken mag de foetus worden afgedreven. Daardoor worden nog amper kinderen met een open rug geboren.