Roken met dank aan Hollywood en oorlog

Met de verhoging van de leeftijdsgrens om sigaretten te kopen, komt de rookvrije wereld nader. Een cultureel wonder?

Verhoging van de leeftijd waarop het je wettelijk is toegestaan sigaretten te kopen, van zestien naar achttien jaar. Een uitstekend idee! We weten nu wel dat roken slecht is voor de gezondheid, dat je er kanker van kunt krijgen en dat het je bloedvaten aantast. Maar breng dat eens een puber aan het verstand. De meesten denken dat ze zelf onkwetsbaar zijn. Piet, 17, is al lekker aan het paffen. Jantje, 15, denkt: dat ga ik ook doen. Naar de tabakswinkel. Hij koopt een pakje filtersigaretten. Filters zijn gezond. De meneer achter de toonbank vraagt hem niet hoe oud hij is. Dat heeft hij nog nooit gedaan. En zo wordt de wereld weer een roker rijker. Ieder kind dat belet wordt op het verderfelijk pad te raken, betekent in de eerste plaats winst voor het kind zelf en verder een onbecijferbaar voordeel voor de hele samenleving.

Dat is allemaal aan de antirookbeweging te danken, ongeveer een halve eeuw geleden in Amerika begonnen en nu wereldwijd verbreid. Zelden zal een campagne binnen een relatief zo korte tijd zulke ingrijpende resultaten hebben gehad. Goed beschouwd is het een cultureel wonder. Om dat te beseffen moeten we ons eerst een voorstelling maken van hoe het vroeger was. Ter illustratie gebruik ik mijn persoonlijke geschiedenis. (Ik ben geboren in 1927.)

Mijn vader rookte ongeveer een pakje per dag, eerst ‘Egyptische’ sigaretten, Abdulla’s die in een mooi blikken doosje zaten. Later is hij op Engelse overgegaan, van Player’s. Mijn moeder was geen liefhebster maar af en toe deed ze mee. Dan rookte ze uit een sigarettenpijpje zoals de filmsterren Greta Garbo en Marlene Dietrich dat deden. Mijn opa’s waren toegewijde sigarenrokers. Treinen hadden rookcoupés, vliegtuigen een grote rookafdeling, in de bioscoop zat het asbakje aan de rugleuning van de stoel voor je, en in de bijwagen van Lijn 2 in Amsterdam mocht je ook roken.

Mijn kinderjaren heb ik grotendeels doorgebracht in een atmosfeer die bezwangerd was met tabaksrook. Toen ik een jaar of acht was, heb ik mijn eerste sigaret gerookt, gestolen uit het pakje van mijn vader. Ik vond het niet lekker. Een vriendje rookte stiekem een pijp. Dat ging ik ook eens proberen. Hoe ik aan die pijp gekomen ben, weet ik niet meer, maar dit beviel me wel en zo ben ik als pijprokertje tot de wereldgemeenschap der rokers toegetreden. Spelenderwijs.

Roken hoorde tot de westerse cultuur. Hollywood heeft daar krachtig toe bijgedragen. Er is een beroemde film, Casablanca, met Humphrey Bogart, Ingrid Bergman, Claude Rains en nog een paar beroemdheden. Gemaakt in 1942. Daarin wordt gerookt op het pathologische af. Een paar jaar geleden heb ik hem weer eens gezien, in het vliegtuig op weg naar New York. Je zou Casablanca nu kunnen vertonen als historisch document. Humphrey Bogart is in 1957 aan keelkanker gestorven. Toen hij nog acteur was, heeft Ronald Reagan eens opgetreden in een sigarettenreclame. Je ziet hem zitten, omringd door sloffen Chesterfield, lachend, sigaret tussen de lippen, met op de achtergrond een kerstboom. „I’m sending Chesterfields to all my friends”, zegt hij.

De andere factor die het roken tot een wereldgewoonte heeft gemaakt, is de oorlog. Vooral nadat in 1941 Amerika onze bondgenoot was geworden, kon je je een geallieerde soldaat zonder sigaret niet meer voorstellen. Niet lang na 5 september 1944, Dolle Dinsdag, brak in de Randstad de Hongerwinter aan. Dat betekende ook een toenemende schaarste aan tabak. Op den duur maakten we onze sigaretten van bukshag, peuken die we op straat vonden. Vier peuken één sigaret. Het papier scheurde ik uit een dundruk Bijbel. Zo heb ik in een half jaar het hele hoofdstuk Genesis opgerookt. En toen, in april 1945 kwamen de voedseldroppings. De sigaretten kwamen uit de lucht vallen. Daarna kwamen de bevrijders. Overal deelden ze sigaretten uit.

De rookcultuur heeft zich onaangetast gehandhaafd tot omstreeks 1955. Toen kwamen de eerste rapporten waarin werd gemeld dat de medische wetenschap het verband tussen roken en longkanker onomstotelijk bewezen achtte. Het wekte een mondiale opschudding, maar de tabaksindustrie sloeg terug. Het waren de jaren waarin de filtersigaret furore maakte. Ik herinner me een reusachtige reclame op de hoek van Canal Street en Varick Street in Manhattan: More Doctors Smoke Camel Filter than any Other Cigarette. Dat was het begin van de overgangstijd. De anti-rokers zetten door. De cafés en restaurants werden in twee afdelingen verdeeld: smoking en non-smoking. Toen werd ontdekt dat het inademen van tweedehands rook ook heel slecht is en daarmee was het ook met de rookafdelingen gedaan. Buiten op de terrassen mocht je eerst nog wel roken, maar daar ging het dezelfde kant op als binnen. Eerst nog een beperkt rookgebied, toen helemaal niets meer.

Onder leiding van burgemeester Bloomberg is de strijd steeds radicaler aangepakt. Op zeker ogenblik mocht je in het Central Park en op de Boardwalk op Coney Island niet meer roken. Buiten op de stoep voor je kantoor: ook verboden. In appartementsgebouwen, idem. En dit is het belangrijkste: de campagne werkte aanstekelijk. Steek je nu in New York op straat een sigaret op, dan hoor je achter je „uche-uche” en kijk je om dan zie je iemand fanatiek met zijn hand voor zijn neus zwaaien. In Amerika is het vrijwel gelukt. Een pakje sigaretten kost er twaalf tot dertien dollar.

In Nederland is het allemaal veel trager gegaan. Uit de betrekkelijk vroege dagen herinner ik me een campagne met de tekst: ‘Roken? Dat lossen we samen wel op.’ Op de stations kreeg je de rookpalen waar de verslaafden rond een walmende asbak samendromden. De horeca werd rookvrij en ook in kantoren mag het al lang niet meer, behalve in een klein, stinkend hokje waar rokers aan hun gerief komen. En nu dus het verbod op verkoop van tabak aan kinderen die nog geen achttien zijn. De rookvrije wereld komt nader en nader.

Waarom doen we het nog? Is het een verslaving? Misschien, maar het is meer. Het verscherpt de intensiteit waarmee je je bestaan beleeft. Hebt u nog een laatste wens, vraagt de beul aan de veroordeelde. Ja, een sigaret.