Olifanten met ruzie zijn net mensen

Olifanten fokken in dierentuinen blijkt een succes. Keerzijde is meer ruzie in de kudde. Er wordt gepest, getreiterd en soms gebeten.

Aziatische olifanten in Dierenpark Emmen. Dit viertal ruziet met de rest van de kudde in de dierentuin. Foto Sake Elzinga

Kijk Mingalar Oo staan als haar tante, nicht, en twee neefjes aan de andere kant van de tralies de stal binnenstappen. Haar oren klapperen, de slurf zwiept heen en weer, en de twee zoons aan haar zij spannen hun staart strak naar achteren. Dat is, vertelt verzorger Gerwin Lawant, olifantenstress. „Alsof ze willen zeggen: wíj staan hier, zijn jullie nou nog niet weg?”

Ruzie tussen de Aziatische olifanten in Emmen. De twaalfkoppige kudde gaat uit elkaar. De plotselinge dood van de leidster afgelopen juni, ontaardde in een machtsstrijd tussen twee families. Haar pittige dochter Mingalar Oo, geboren in Dierenpark Emmen, maakt met de meeste nakomelingen aanspraak op de titel van matriarch. Maar dat pikt tante Htoo Yin Aye niet, zij is de oudste olifantenmoeder. En daarin krijgt ze steun van haar dochter en twee zonen.

De vier gingen ruzie zoeken. Op jacht naar de macht namen ze de jongere zus van Mingalar Oo te grazen. Ze pakten eten af, jaagden haar op, en duwden en mepten met hun slurf. Dat gebeurde „slim en achterbaks”, vertelt olifantenverzorger Lawant. Telkens wanneer het schuchtere zusje apart stond, sloegen er twee toe. Drukte de één haar de hoek in, beet de ander haar in de staart. Dan moet je ingrijpen, zegt Lawant, want „voordat je het weet gaan andere olifanten het pestgedrag kopiëren”.

Olifanten zijn net mensen, weet bioloog Wijbren Landman. Ze laten zich graag leiden. Ze voelen met elkaar mee. En ze kunnen elkaar helpen. Maar gebeurt dat niet, dan is het goed mis. Want olifanten, weet Landman ook, kunnen zich niet met elkaar verzoenen. In de natuur keren ze elkaar in dat geval de rug toe en zoeken ze een bestaan verderop. Maar in een dierentuin kan dat niet.

Daarom zoekt Martin van Wees nu een nieuw onderkomen voor tante en haar drie nakomelingen. Van Wees werkt in Diergaarde Blijdorp in Rotterdam en is coördinator van het stamboek Aziatische olifanten bij de Europese federatie van dierentuinen. De afgelopen vijfentwintig jaar heeft een eigen fokprogramma 284 olifanten opgeleverd – een prestatie, alleen al vanwege de lange draagtijd van het vrouwtje (22 maanden) en het temperament van de mannetjes. Als die in de voortplantingsstemming komen – de musth – slaan ze alles kort en klein.

Maar de keerzijde van dat succes, zegt Van Wees, is dat vrouwtjesolifanten hun eigen jongen in de groep voorrang geven: „Eigen familie eerst.” Dat brengt strijd in de kudde en zet de matriarch soms onder grote druk. Van Wees: „Dat gaat hard tegen hard. Olifanten kunnen elkaar de greppel induwen en doodmaken als je niet uitkijkt. Die ongelukken moet je voor zijn.”

Zo komt het dat de stamboekhouder al meerdere keren „groepen damesolifanten” heeft moeten overplaatsen – gratis en voor niks is de afspraak tussen de dierentuinen. Ook olifanten uit de Rotterdamse kudde. Drie verhuisden naar Dublin. En begin dit jaar vertrokken twee olifantenkoeien naar Praag, omdat moeder te bazig was en andere olifanten pestte. En dan hebben we het niet over de rebellerende puberstieren. Die verruilen de kudde sowieso voor een vrijgezellengroep zodra ze een jaar of vijf zijn. Dan worden ze door de vrouwtjesolifanten uit de groep gezet omdat ze niet langer luisteren. Net als in het wild: daar leven mannetjes alleen en zoeken ze soms een kudde met vruchtbare vrouwen op.

Bioloog Landman zegt het zo: „Olifanten leven in de meest hechte gemeenschappen van het dierenrijk. Ze hebben allemaal hun eigen karakter. Maar hun familieband, de kuddestructuur, is leidend. Olifantenvrouwtjes zijn met hun jongen de spil van de kudde. Dochters blijven hun leven lang bij moeder. En de leidster van de familie zorgt voor rust doordat zij de weg kent, weet waar eten te halen is en wanneer gevaar dreigt. Als zij wegvalt, moeten de groepen zelf weer orde scheppen in de organisatie.”

De kuddetwist tussen de twee families in Emmen verbaast bioloog Wijbren Landman dan ook niet. Sterker: als de kudde meer vrouwtjes had voortgebracht, was de machtsstrijd eerder uitgebroken, denkt hij. Sinds 1988 werden in Emmen drieëntwintig nakomelingen geboren, waaronder negentien mannetjesolifanten. Zodoende gingen de meeste spanningen over opvoeding: vechtpartijtjes, ruzie om voedsel en pogingen om vrouwtjesolifanten te dekken.

Desondanks hield de hechte band tussen de olifanten in Emmen stand, heeft Landman ervaren. Toen een van de dieren werd geopereerd aan zijn poot, weigerden de anderen „uit solidariteit” het nachtverblijf te verlaten. Of neem de 45-jarige Annabel. Toen zij in een greppel haar halswervel brak en de dierenarts haar moest laten inslapen, waren alle olifanten daar kapot van. Ze gooiden met hun slurf hoopjes zand op de dikhuid „bij wijze van eerbetoon” en weigerden op stal te staan zolang de olifant er nog lag. Verder was de Emmer kudde levendig, bleek uit onderzoek van een Duitse biologe drie jaar geleden. Ze vergeleek de communicatie tussen de olifantenkuddes in Emmen, Keulen en Zürich door hun hele lage, infrasone gegrom met speciale geluidsapparatuur op te nemen. Haar conclusie: in Emmen babbelen olifanten het meest.

Daarvan is amper sprake meer. Sinds de zomer leven de twee clans in Emmen gescheiden van elkaar. ’s Morgens staat de ene familie op stal, ’s middags de andere. Alleen ’s nachts staan ze er vanwege de kou allebei, een dik traliehek ertussen. Camera’s en verzorgers houden extra toezicht in afwachting van overplaatsing van de vier naar een andere dierentuin, het liefst in Europa.

Maar makkelijk is dat niet. Ze moeten goed worden gehuisvest. En je kunt dit viertal niet zomaar tussen een andere kudde zetten. Dan begint de strijd weer van voren af aan. Daarom heeft stamboekhouder Martin van Wees zijn hoop gevestigd op een dierentuin waar ze met een nieuwe groep beginnen. „We verwachten de komende weken uitsluitsel.”

Alleen de goedmoedige olifantenstier Radza, 46 jaar en zeven ton, blijft onverstoorbaar onder de ruzie. Plagend port hij zijn slurf in de buik van het kalfje van anderhalf. Van schrik begint die te plassen en tettert het om hulp. Zijn moeder, tante – kunnen ze helpen?

De laatste komt aanrennen. Ze stelt zich op tussen de stier en het kalf dat wegduikt tussen haar poten. Dan buigt olifantenstier Radza het hoofd en duwt met zijn slurf bladerloof voor zich uit. Wil Mong Tine zijn takken hebben? Het kalfje schudt het zand eraf, klapt zijn poot op het loof en zet zijn tanden in de dunste takjes. Verzorger Gerwin Lawant: „Die zijn ’t lekkerst.”