Morsi bewaakt nieuwe grondwet

Met zijn machtsgreep beschermt de Egyptische president de nieuwe grondwet. Die bepaalt de toekomst van Egypte.

Egyptenaren proberen in Kairo affiches van president Morsi van een muur te trekken. Foto Getty Images

Toen Mohammed Morsi donderdag zijn presidentieel decreet uitvaardigde ging de meeste aandacht naar de passages waarin hij zijn eigen decreten onaantastbaar verklaart voor de rechter, en zich het recht toeëigent om naar goeddunken maatregelen te nemen om „de revolutie, de nationale eenheid en de nationale veiligheid te beschermen”.

Maar even belangrijk waren de maatregelen die Morsi uitvaardigde rond de grondwet. Zo besliste hij dat de grondwetgevende vergadering, waar aan de nieuwe grondwet wordt gewerkt, niet langer mag worden ontbonden door de rechtbanken.

Zo’n ontbinding hing als een zwaard van Damocles boven het lichaam. De samenstelling ervan was immers bepaald door de uitslag van de parlementsverkiezingen van begin dit jaar, die uitliepen op een verpletterende overwinning voor de fundamentalistische Moslimbroederschap en de nog radicalere salafisten. Maar het parlement werd in juni zelf ontbonden door het Constitutioneel hof, wat een hypotheek legde op de legitimiteit van de grondwetgevende vergadering. De eerste grondwetgevende vergadering was al door een rechtbank ontbonden.

De grondwetgevende vergadering had begin december haar werk moeten beëindigen. De kans dat dit ging lukken was klein: een derde van de leden, liberalen en christenen, was opgestapt uit protest tegen het overwicht van de fundamentalisten. Morsi heeft die tijdlimiet nu met twee maanden verlengd.

Uitstel maakt de taak er echter niet eenvoudiger op. De grondwet is het belangrijkste onderdeel van de democratische overgang, en veel critici zeggen dat de presidentsverkiezingen die Morsi aan de macht brachten nooit hadden mogen plaatshebben zonder nieuwe grondwet. Die legt immers ook de bevoegdheden van de president vast.

Dé vrees van liberalen en christenen is dat de fundamentalisten van hun huidige machtspositie gebruik maken om de grondwet op fundamentalistische leest te schoeien. Die vrees is niet ongegrond.

Op vrijdag 9 november trokken meer dan tienduizend salafisten naar het Tahrirplein, waar ze luidkeels riepen dat „het volk” de invoering van de shari’a, het islamitisch recht, wil. De betoging was bedoeld om kracht te zetten achter de eisen van de radicale moslims over de rol van de islam in de nieuwe grondwet. Aan de betoging werd niet eens meegedaan door de Moslimbroederschap, noch door Nour, de voornaamste salafistische partij.

Wat vaststaat is dat de nieuwe grondwet zal gestoeld zijn op de shari’a. Dat is niet bijzonder: de meeste Arabische landen beroepen zich er op de een of andere manier op. De vraag is in welke mate, en wie het laatste woord krijgt over invulling en toepassing. Artikel 2 van de ontwerp-grondwet stelt nu dat de „principes van de shari’a de voornaamste bron van wetgeving” zijn. De salafisten willen het woord „principes” schrappen. Maar voorlopig lijken de salafisten bakzeil hebben gehaald.

Artikel 4 stelt dat Al-Azhar, de hoogste religieuze autoriteit voor de sunnieten, een adviserende rol krijgt inzake de toepassing van de shari’a. De salafisten wilden dat Al-Azhar het laatste woord zou hebben. Critici zeggen dat een niet gekozen religieus orgaan zeggenschap geven over de wet hoe dan ook neerkomt op een islamitische republiek.

Niet verwonderlijk is dat de vrouwenrechten een bron van zorg zijn. Artikel 36 (artikel 68 in de laatste versie) stelt dat de staat alles moet doen om de gelijkheid van mannen en vrouwen te garanderen „op politiek, cultureel, economisch en sociaal vlak”, maar voegt daaraan toe „in zoverre dit niet in strijd is met de regels van het islamitische recht”.

Hoe voorzichtig het seculiere kamp te werk moet gaan in de nieuwe politieke context blijkt uit een verklaring van tientallen partijen, vakbonden, en verenigingen. „Wij zijn niet gekant tegen de wetten van God of de shari’a. Maar wij nemen aanstoot aan dit artikel wegens het gebrek aan consensus onder islamitische geleerden over de interpretatie van de shari’a. Dit opent de deur voor veelvuldige interpretaties waarvan sommigen de burgerlijke rechten en vrijheden kunnen inperken.”

Een andere zorg betreft het vage woordgebruik van sommige artikelen. Zo stelt artikel 9 dat het gezin de hoeksteen van de samenleving is, en dat „religie, moraliteit en patriottisme” er de fundamenten van zijn. Wie die begrippen mag invullen blijft onduidelijk. „De verwoording is zo elastisch dat het de autoriteiten de ruimte geeft om de rechten van de burger naar eigen goeddunken in te perken”, stelt het Arabisch Netwerk voor de Mensenrechten, de voornaamste mensenrechtengroepering in Egypte. „Andere artikelen schieten tekort omdat zij duidelijk verwijzen naar de politieke stroming die de meerderheid heeft in de grondwetgevende vergadering”.

Het Nationaal Front voor Gerechtigheid en Democratie, dat de doelstellingen van de revolutie van 2011 wil beschermen, windt er nog minder doekjes om. „Eén enkele politieke factie monopoliseert het schrijven van de grondwet, terwijl de rest van Egypte alleen mag toekijken.”