Longread: De zelfwalging van een literaire reus

J.M. Coetzee Foto AFP

Door het winnen van de Nobelprijs voor de Literatuur in 2003 zijn velen vergeten dat de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee jarenlang werd verguisd omdat hij niet openlijk stelling nam tegen de apartheid, schrijft Elsbeth Etty. Een meesterlijke biografie laat zien dat hij juist niet laf was. Coetzees werk moet dringend herlezen worden.

Sinds J.M. Coetzee in 2003 de Nobelprijs voor de literatuur ontving, is men vergeten hoe de in 1940 in Kaapstad geboren schrijver jarenlang is verguisd wegens vermeende lafheid. De Engelstalige Afrikaner ontvluchtte op 22-jarige jarige leeftijd zijn door racistische wetten geregeerde geboorteland. En toen hij er tijdens de donkerste dagen van de apartheid terugkeerde, werd hem van alle kanten verweten geen stelling te nemen.

Aan de Universiteit van Kaapstad had de briljante student wiskunde en Engels niet deelgenomen aan de demonstraties tegen het bloedbad van Sharpeville, in de jaren zeventig en tachtig sprak hij zich als docent Engelse literatuur aan diezelfde universiteit niet uit tegen het bloedig neerslaan van de scholierenopstand in Soweto, de martelpraktijken van het apartheidsregime en de politiemoord op Steve Biko. Ook in zijn romans leek hij met een grote boog heen te lopen om de grimmige actualiteit in zijn vaderland.

In zijn meesterlijke biografie van John Coetzee, één van ’s werelds grootste levende schrijvers, maakt de Zuid-Afrikaanse literatuurwetenschapper John Kannemeyer een einde aan de mythe dat de schrijver van In ongenade laf zou zijn. Op basis van verrassende romananalyses toont hij aan dat Coetzee van meet af aan een geëngageerd schrijver was, maar dat zijn stellingnamen voor de meeste mensen te pijnlijk waren om te aanvaarden.

De raakste typering van Coetzees positie als apolitieke, humanistische, blanke schrijver in een gewelddadige, racistische dictatuur, diepte Kannemeyer op uit een toespraak uit 1999 van professor Vivian de Klerk van de Rhodes Universiteit in de Oost-Kaap. Ter gelegenheid van de toekenning van een eredoctoraat aan de schrijver van splijtende romans – van In the Heart of the Country (1977) tot The Master of Petersburg (1994) – analyseerde zij haarscherp wat het ongenoegen van zijn critici had opgewekt. Coetzee werd volgens De Klerk ‘niet politiek relevant’ bevonden door progressieve blanke Zuid-Afrikanen, omdat hij ‘heeft geweigerd hun het gekwelde blanke geweten te laten zien waar ze allemaal naar op zoek waren’.

Disgrace (In ongenade), waarin de dochter van de blanke hoofdpersoon de slavin wordt van haar zwarte verkrachter, was toen nog niet verschenen. Niet alleen blanke Zuid-Afrikanen en internationale schrijvers als Salman Rushdie verwierpen die roman als een poging ieder sprankje hoop op een vreedzame multiculturele en multi-etnische toekomst de kop in te drukken, de leiding van het ANC bestempelde de auteur als racist. Hij zou de zwarte Zuid-Afrikanen als moordlustige verkrachters hebben neergezet en de angst onder blanke Zuid-Afrikanen voor de wraakzuchtige zwarte meerderheid hebben aangewakkerd. De uittocht van progressieve blanken, onder wie Coetzee zelf die naar Australië verhuisde, werd mede toegeschreven aan de strekking van Disgrace.

Coetzee heeft nooit willen reageren op de verwijten aan zijn adres, ook niet tegenover zijn biograaf, die hem twee weken lang mocht interviewen in zijn woonplaats Adelaide. Het enige wat hij er, verspreid over diverse essays en autobiografische romans, over heeft gezegd is dat hij zichzelf niet per se als een Zuid-Afrikaans schrijver beschouwt, maar als iemand die midden in de wereld staat en wiens loyaliteit ‘bij het discours van romans’ ligt, in plaats van ‘bij het discours van de Zuid-Afrikaanse politiek.’

Kannemeyer zelf was verbaasd dat deze kosmopolitische schrijver en academicus, die nooit iets heeft willen weten van zijn Afrikaner herkomst en blij was dat zijn vader als enige van de Coetzee-stam Engelstalig was, instemde met een Afrikaner als biograaf. Die spreekt vermoedt dat Coetzee bereid was hem medewerking te verlenen, juist omdat hij niet uit de gelederen van de Engelse literatuur komt, maar uit het kleinere gebied van de Zuid-Afrikaanse. De Afrikaanstalige letterkundigen hebben zich immers nauwelijks gemengd in de controverses rond Coetzee. Hun ‘gekwelde geweten’ susten ze door solidair te zijn met de in het Afrikaans schrijvende Breyten Breytenbach, die in 1975 tot negen jaar gevangenis werd veroordeeld wegens vermeende terroristische activiteiten.

Engelstalige auteurs zoals de eerste Zuid-Afrikaanse Nobellaureaat Nadine Gordimer namen elkaar de maat, maar de Afrikaanse letterkundigen beperkten zich tot hun eigen taalkring en verwachtten geen specifiek anti-apartheidsgeluid van een in hun ogen internationale auteur als Coetzee.

Voor Coetzee is John Kannemeyer, begenadigd auteur van talrijke Zuid-Afrikaanse schrijversbiografieën, waaronder die van anti-apartheidsschrijver Jan Rabie, de gedroomde biograaf. De twee zijn generatiegenoten, afkomstig uit oude Afrikaner geslachten. Ze delen hun liefde voor de Kaap en beiden hebben het grootste deel van hun leven gewijd aan literatuur.

Als geen ander was Kannemeyer, die kort na het voltooien van zijn Coetzee-biografie overleed, in staat om van diens oeuvre, met invloeden van Dostojevski, T.S. Elliot, Beckett, Kafka, Ezra Pound en vele andere klassieke schrijvers, de Zuid-Afrikaanse wortels bloot te leggen. Coetzee was dan wel Engelstalig opgevoed, door zijn jeugd in de Kaap onder Afrikaans sprekende familieleden en schoolvrienden sprak en las hij die taal vloeiend, evenals het Nederlands. Zo kan hij de onmiskenbare Nederlandse invloeden aanwijzen die Coetzee heeft ondergaan van Marcellus Emants en Gerrit Achterberg, die Coetzee beiden vertaalde.

Als hoogleraar literatuur aan de Universiteit van Stellenbosch kende Kannemeyer veel collega’s van Coetzee, die na een langdurig verblijf in de Verenigde Staten vanaf 1971 tot eind jaren negentig doceerde aan de Universiteit van Kaapstad. Hij had toegang tot Coetzees Zuid-Afrikaanse familieleden en kennissen en kon via hen de schaarse informatie die de gereserveerde schrijver hem verstrekte reliëf geven. Want Coetzee was weliswaar zo vriendelijk om Kannemeyer te woord te staan en inzage te geven in zijn archief, over zijn privéleven wilde hij nauwelijks iets kwijt.

Of Kannemeyer een geflatteerd beeld geeft van Coetzees persoonlijkheid valt moeilijk te zeggen. Mij viel op dat hij wel citeert uit het moeizame televisie-interview dat Wim Kayzer in 2002 met hem maakte voor het programma ‘Van de schoonheid en de troost’, maar niets zegt over het krampachtige, bijna autistisch aandoende gedrag van de schrijver. En net iets te vaak benadrukt hij dat de ascetisch levende, non-alcoholische fanatieke vegetariër zo’n ontzettend gezellige prater en gastheer is.

De biograaf wil ‘niet psychologiseren’ over de impact op Coetzee van de aanzienlijke rampen in zijn leven, zoals een door een alcoholische, frauderende vader verwoeste jeugd, een mislukt huwelijk, twee aan drugs en alcohol verslaafde kinderen. We komen weinig te weten over de vermoedelijke zelfmoord van Coetzees zoon Nicolas, die in 1989 op 23-jarige leeftijd een dodelijke val van zijn balkon maakte. Ook de invaliditeit van zijn aan epilepsie en levercirrose lijdende dochter Gisela blijft vrijwel onbesproken. Over het liefdesleven van de fysiek nog altijd aantrekkelijke schrijver die zijn romanpersonages en alterego’s tot op hoge leeftijd erotische avonturen gunt, ontbreken details.

Coetzee trouwde in 1963 op zijn 23ste, toen hij vanuit Londen even terugwas in Kaapstad, met de iets oudere lerares Philippa Jubber. Het huwelijk was van meet af aan geen succes, maar desondanks duurde het zeventien jaar voordat het werd ontbonden. In 1980 ontmoette hij Dorothy Parker, toen werkzaam voor een uitgever en later hoogleraar Zuid-Afrikaanse literatuur, vrouwen- en genderstudies aan de Universiteit van Kaapstad, met wie hij nog steeds zijn leven deelt.

Niet de details over het privéleven, maar de verbinding die de biograaf legt met het werk in erudiete analyses van Coetzees romans en essays geven dit boek zijn betekenis. Vrijwel alles wat Coetzee geschreven heeft, blijkt terug te voeren op zijn eigen ervaringen. Door zijn werk te plaatsen binnen de context van Coetzees grote literaire inspiratiebronnen en te relateren aan de politieke situaties waar hij op reflecteerde, toont Kannemeyer aan hoe geëngageerd dit schrijverschap altijd is geweest.

Ook buiten zijn boeken vertoonde Coetzee heel wat meer politieke moed dan algemeen wordt verondersteld. Zo belandde hij in 1970 in een Amerikaanse gevangeniscel omdat hij deelnam aan een universitair protest tegen de oorlog in Vietnam. Voor Coetzee betekende dat het einde van een veelbelovende Amerikaanse academische carrière. Hij moest terug naar Zuid-Afrika. Daar, aan de Universiteit van Kaapstad, streed hij tegen censuur en zorgde hij ervoor dat uitgesproken anti-apartheidsschrijvers als André Brink een aanstelling kregen. Overigens heeft Coetzee ook, zonder daar ophef over te maken, altijd op goede voet verkeerd met Breyten Breytenbach.

Na talrijke prestigieuze internationale onderscheidingen en prijzen vervaagde de kritiek op Coetzee. De vorige president van Zuid-Afrika, Thabo Mbeki, die Coetzee in 1999 nog voor racist had uitgemaakt, feliciteerde hem in 2003 met de Nobelprijs die hij ‘een overwinning voor de Zuid-Afrikaanse natie en voor het hele Afrikaanse continent’ noemde.

Coetzee behield dan ook zijn Zuid-Afrikaanse nationaliteit toen hem in 2006 na lang wachten het Australische staatsburgerschap werd toegekend. Hij was er, zei hij, nooit in geslaagd aan zijn geboorteland te ontsnappen. Zonder het met zoveel woorden te zeggen, maakt Kannemeyer in deze biografie niettemin duidelijk dat Coetzee herboren is na zijn definitieve vertrek uit zijn verscheurde geboorteland, waar hij zich geen raad wist met het politiek activisme dat van hem werd verwacht. Over zijn nieuwe woonplaats Adelaide liet hij zijn romanpersonage en alter ego Elizabeth Costello opmerken: ‘Is dit het paradijs op aarde? Moet men eerst sterven om hier te wonen?’

In zijn tweede leven lijkt hij een politieke radicalisering door te maken, een inhaalslag na zijn politieke levenloosheid in Zuid-Afrika. Zo weigerde hij in 2004 een eredoctoraat van Harvard omdat hij niet naar de VS wilde zolang Bush en Cheney daar aan de macht waren en protesteerde hij fel tegen ‘Abu Ghraib’. Waar hij in de jaren zeventig gezwegen had toen Zuid-Afrika zuchtte onder de Terreurwet, keerde hij zich in 2006 tegen de antiterrorismewetten van de Australische president John Howard: ‘Ik dacht altijd dat de mensen die de [Zuid-Afrikaanse] wetten ontwierpen waarmee de rechtsstaat in feite werd opgeheven morele barbaren waren. Nu weet ik dat ze alleen maar pioniers waren die hun tijd ver vooruit waren.’

Wat Coetzee in al zijn werk op een soms indirecte of moeilijk verstaanbare manier tot uiting bracht – een diep humanisme gekoppeld aan een somber mensbeeld – krijgt sinds zijn vertrek uit Zuid-Afrika veel explicieter vorm. Zijn radicale dierenactivisme is daar een voorbeeld van. Recente romans, zoals het schitterende Zomertijd (2009), waarin de fictieve biograaf Vincent het leven van de overleden schrijver J.M. Coetzee te boek stelt, zijn als autobiografische fictie onovertroffen.

In Een schrijversleven toont een reële biograaf van de levende John Coetzee aan dat niet alleen Zomertijd maar Coetzees hele oeuvre één grote verbeelding is van wat hij, met een verwijzing naar Marcellus Emants’ Een nagelaten bekentenis, ‘zelfwalging’ noemt. Kannemeyer dwingt ons met deze fascinerende studie Coetzee in dat perspectief te lezen en herlezen.

De biografie van Coetzee van Kannemeyer is hier, bij onze cultuurwebwinkel, te bestellen.