Het kleine leed van de dronken toerist

In het Thaise stadje Pakong komen jaarlijks miljoenen westerse toeristen voor het uitgaansleven. Een avond met de toeristenpolitie.

Thijs Plug

Het hoogseizoen moet nog beginnen, maar op Bangla Road kun je over de hoofden lopen. Dit is het uitgaanscentrum van het stadje Patong, op het Thaise eiland Phuket. Wie heen en weer wandelt door de straat hoort flarden Russisch, Indisch, Duits (veel Duits) en halverwege de avond treffen we een groep laveloze jongeren die ‘Utreg! Utreg!’ staat te scanderen. De lokale bevolking kijkt er niet van op: ze hebben het allemaal al eens gezien. De prostituees tippelen onaangedaan door. De ladyboys gaan een paar meter verder staan, op een plek waar ze de schijnwerpers weer voor zichzelf hebben.

Phuket, het grootste eiland van Thailand, aan de zuidkust, heeft een oppervlakte van ongeveer twee keer Ameland en verwelkomt jaarlijks meer dan zeven miljoen toeristen. Phuket City is de charmante hoofdstad, maar het is het stadje Patong waar de meeste toeristen hun kamp opslaan. Een attractie als Bangla Road trekt een bepaald slag bezoekers. Overwegend mannelijk. Overwegend luidruchtig. Overwegend dronken.

We zijn hier met de lokale Tourist Police, een vrijwilligersorganisatie die de taak op zich heeft genomen om verdwaalde, verdwaasde en niet zelden ook verdoofde feestgangers te helpen als ze in de problemen komen. De Thaise politie had hier jaarlijks haar handen vol aan toeristen die het slachtoffer waren van klein leed: vechtpartijtjes, zakkenrollerij of een astronomisch hoog opgelopen barrekening. En dus is de hulp van vrijwilligers die wél Engels spreken, om de niet-urgente zaken direct af te handelen, meer dan welkom.

Het is een bont gezelschap: een Duitse dame die met een Thai trouwde en wat tijd over had, een Indische heer die al jaren op Phuket woont en iets terug wilde doen. En José Breed. Breed en haar Nederlandse man wonen al dertien jaar in Thailand. Na hun pensioen baatte het echtpaar een paar jaar een keten van poolcafés uit in Patong, maar nadat deze werd verkocht, was er tijd over. Na een training van een week kreeg ze een fles pepperspray, een wapenstok en een uniform en mocht ze de straat op.

„Do you know about us?” zegt Breed monter, terwijl ze een lange blonde jongen een kleurige flyer in zijn handen duwt: The Tourist Police: Your First Friend. De knaap kijkt haar ongeïnteresseerd aan. „Praat maar gewoon Nederlands hoor”, zegt hij terwijl hij de folder direct weer op straat gooit en de andere kant opkijkt. Breed laat zich er niet door uit het veld slaan. „Als we mensen proactief benaderen zijn ze vaak niet geïnteresseerd. Maar als ze vannacht ineens hun portemonnee kwijt zijn en niet meer naar hun hotel kunnen komen, hoop ik dat ze zich die flyer herinneren.”

Bangla Road is een brede straat met aan weerszijden nauwe zijstraten: soi’s. Waar je ook kijkt, wemelt het van de schaars geklede Thaise meisjes die hun diensten aanbieden. De hoofdstraat is voorbehouden aan de freelancers die voor zichzelf werken. In de soi’s werken de meisjes voor een bar en moet de mama-san, de uitbaatster – altijd een vrouw, prostitutie is a women’s game in Thailand – afbetaald worden mocht een bezoeker een meisje mee willen nemen naar zijn hotel. De katoy (‘omgebouwden’) hebben hun eigen soi. Het homokwartier is in een straat op vijf minuten lopen.

„Vroeger was Phuket meer een backpackersbestemming”, vertelt Breed tijdens de patrouille. „Tegenwoordig is het wat te duur voor de lowbudget-reizigers. Die gaan steeds vaker gelijk door naar de kleinere eilanden voor de kust van Phuket, waar de prijzen lager liggen.”

Wat rest voor Patong zijn vaak lower class-toeristen uit het Westen, die zich ophouden in cafés die precies dezelfde drank en hetzelfde eten serveren als de kroegen thuis. De Zweden, Engelsen, Australiërs, Duitsers en Hollanders hebben ieder hun eigen kroegen. Daarnaast zijn er de feestgangers die Phuket zien als een goedkoop alternatief voor Ibiza. En natuurlijk de fijnproevers die heel gericht afkomen op de lichtekooienindustrie. De traditionele Thaise cultuur is elders op Phuket nog wel te vinden, maar in Patong zijn bitterballen tegenwoordig makkelijker te krijgen dan een bord pad thai.

„Op een normale avond stoppen we een paar vechtpartijtjes”, zegt Breed. „Laatst nog tussen twee broers die ruzie kregen om een meisje. Die sloegen elkaar tot bloedens toe tegen de grond. We hebben ze uit elkaar gehaald – dan helpt het dat ik een vrouw ben – en bij hun ouders in het hotel afgezet.

„We helpen ook vaak mensen die bij een erotische show naar binnen gaan, een paar biertjes bestellen en dan een rekening van 200 euro gepresenteerd krijgen”, gaat Breed verder. „Het loont om de kleine lettertjes op het bord bij de ingang te lezen. Ook is er een epidemie geweest van verhuurbedrijven die hun klanten stelselmatig oplichtten. Toeristen huurden een jetski of een brommer, gebruikten die een paar uur en moesten dan honderden euro’s betalen omdat er een heel klein krasje werd geconstateerd. Dat is nu wel onder controle.”

Tijdens de patrouille vanavond gebeuren er geen schokkende dingen. Terwijl we ons een weg tussen de prostituees door banen – tippelen is officieel illegaal in Thailand – steken de gezagsdragers de meeste energie in het opjagen van mannen die toeristen op de foto zetten met kleine verklede aapjes, een beschermde diersoort. Een groep echte Thaise politiemannen bekijkt dit tafereel geamuseerd vanaf het terras van een pizzeria, nippend van een colaatje, geenszins van plan om een hand uit te steken.

Een week eerder trof de toeristenpolitie een westerse man die ruzie stond te maken met zijn Thaise vakantievriendinnetje. „Ze vroeg hem om geld – waarschijnlijk niet voor het eerst”, vertelt Breed. „Daarop trok hij al zijn kleren uit, duwde die in haar handen en schreeuwde ‘Nu heb je alles!’. Vervolgens liep hij poedelnaakt naar een tuk-tuk, stapte in en reed weg.”

De sfeer in Phuket is de laatste jaren wel veranderd, beaamt Breed. Op Bangla Road openen steeds meer bars, gerund door Russen, waar uitsluitend slanke, blonde, paspoortloze plattelandsrussen aan palen hangen en op tafels dansen. Hoewel deze meiden geen werkvergunning hebben, knijpt de Thaise politie, geholpen door ‘vrijwillige’ donaties, een oogje toe. Hoopvoller zijn de ontwikkelingen aan de andere kant van de straat waar een Finse groep investeerders het ene na het andere pand opkoopt en er exclusieve clubs vestigt. De prijzen zijn er op Ibiza-niveau, maar dat houdt ongure sujetten buiten, waardoor de sfeer binnen aanzienlijke (vrouw)vriendelijker is.

De vrijwilligers van de toeristenpolitie wijzen op het restaurant dat een paar maanden geleden afbrandde. Volgens de officiële berichten kwamen vier mensen om het leven. „Dat stond in het persbericht, ja”, schimpt Breed. „Maar iedereen hier weet dat er tientallen doden waren. De illegale Birmezen in de keuken werden niet meegeteld.”

Als Breeds dienst erop zit, wandelen we nog een keer door de straat. Het is één uur ’s nachts. Als we langs de soi lopen die exclusief toebehoort aan de ladyboys, zien we de blonde Nederlandse jongen weer: de onbeleefde flyerweigeraar. Hij heeft zijn hand om het middel van een ladyboy geslagen en de Thaise meisjesjongen leunt liefdevol tegen hem aan. „Zou hij weten dat het geen vrouw is?” vraag ik Breed. Ze glimlacht, schudt haar hoofd en loopt verder, zonder de Hollander op zijn eventuele fout te wijzen.