Het afbreken van de piramides, salafisten willen het graag doen

Radicale Egyptische salafipartijen willen sfinxen en piramides afbreken. Ze zouden ongeluk brengen, schrijft Maarten Zeegers.

Overal in Egypte zijn protesten uitgebroken tegen president Morsi van de Moslimbroederschap die in de media al spottend de nieuwe farao wordt genoemd. Niet alleen progressieve demonstranten spreken zich uit, ook radicale salafipartijen laten hun stem horen in het nieuwe Egypte en dat is ook wel eens schokkend.

Onlangs riep de salafigeestelijke Murgan al-Gohari in een interview op de Egyptische televisie op tot de vernietiging van de piramides en de sfinx. De duizenden jaren oude heiligdommen, de laatste overgeblevene van de zeven wereldwonderen uit de klassieke oudheid, zouden volgens de Gohari afgodsbeelden zijn, en daarmee een gevaar vormen voor de islam. De Egyptische moslimbroeders, die juist meer aandacht willen besteden aan de conservatie van de Egyptische oudheden, leverden direct felle kritiek op de uitspraken van Gohari. Wie echter denkt dat deze salafigeestelijke een eenzame gek is, heeft het bij het verkeerde eind. Sterker nog, vanuit islamitisch perspectief heeft hij gewoon gelijk.

De islam draait om het geloof in één God. De grootste zonde (veel groter nog dan het eten van varkensvlees, het drinken van alcohol, overspel of zelfs moord) is het aanbidden van iets of iemand anders dan God. Alle vormen van polytheïsme moeten daarom actief worden bestreden. Met name afgodsbeelden, heidense tempels en graven moeten het hierbij ontgelden. En daar heeft Egypte er nogal wat van.

Deze strijd tegen afgoderij is niets nieuws, maar speelt al vanaf het ontstaan van de islam. Zo sloeg volgens de overleveringen de profeet Mohammed na de verovering van Mekka eigenhandig met een stok de afgodsbeelden van de heidense Mekkanen aan diggelen. Salafi’s, radicale moslims die het gedrag van de profeet zo nauwgezet mogelijk proberen na te doen, maken hieruit op dat iedere moslim de plicht heeft om de afbeeldingen van goden te vernietigen.

Deze vernielzucht heeft in de hele islamitische wereld zijn sporen nagelaten. Bij bezoeken aan oude faraonische tempels in Egypte valt gelijk op dat afbeeldingen van de goden op de tempelmuren vaak met grote nauwgezetheid zijn weggebeiteld, (uitgezonderd die delen van de tempels die onder het zand verborgen lagen of te hoog waren om er eenvoudig bij te kunnen). In overblijfselen van Syrische kerken zijn fresco’s van heiligen vaak uitgevaagd of geperforeerd. De standbeelden van goden op de gevels van de tempels in de historische stad Petra zijn kapotgeslagen, hoewel uit de negentiende-eeuwse schetsen van David Roberts blijkt dat ze toen nog heel waren.

Maar er zijn ook recentere voorbeelden. Enkele jaren geleden bliezen de Taliban in Afghanistan twee reusachtige Boeddhabeelden op, terwijl in Mali salafi’s op het moment van schrijven bezig zijn om op systematische wijze eeuwenoude graftombes te vernietigen.

De islam staat overigens niet alleen vijandig tegenover afgodsbeelden, maar tegenover alle religieuze symbolen die op een of andere manier onderwerp zouden zijn van aanbidding, zoals bijvoorbeeld het kruis. In een Damasceens café waar ik vaak schaak speelde, was bij elk schaakspel het kruis van de koning afgebroken. Een Syrische studievriend, hartstochtelijk fan van Barcelona, weigerde principieel een shirt aan te trekken, aangezien in het wapen van de club een kruis prijkt.

Wie denkt dat zoiets in het huidige Egypte toch nooit zal gebeuren, heeft het opnieuw mis. De dreiging is wel degelijk serieus. Na de eerste vrije verkiezingen in de geschiedenis van Egypte heeft de salafipartij Hizb al-Nour meer dan vijfentwintig procent van de parlementszetels weten te bemachtigen. En zij steken hun voornemen om het heidense erfgoed van Egypte aan te pakken niet onder stoelen of banken. Een prominente salafi stelde eerder dit jaar voor om de sfinx in te pakken in een groot laken, zodat deze in ieder geval niet meer zo in het zicht zou liggen.

Nu hebben de salafi’s bij de uitvoer van hun plannen wel een probleem. De nationale economie steunt namelijk voor bijna de helft op het toerisme. Miljoenen Egyptenaren verdienen er hun geld mee. De toeristen hebben vanwege de historische schatten nu nog een goede reden om het land te bezoeken, maar zonder tempels en piramides gaan zij liever ergens anders op vakantie. Het besluit om de piramides af te breken zou de economie ten gronde richten en een groot deel van de bevolking beroven van hun levensonderhoud.

Hierbij gaat het niet alleen om zoiets radicaals als het vernietigen van het gehele culturele erfgoed, maar ook om andere wetten die een negatieve invloed hebben op het toerisme, zoals de verplichting van vrouwelijke toeristen om een sluier te dragen of het verbod op alcohol.

De salafi’s hebben bij de invoer van dergelijke wetten te maken met een nieuwe werkelijkheid. Zij kregen politieke invloed dankzij het democratische spel, maar met maatregelen die weerstand oproepen, kunnen ze die invloed bij de volgende verkiezingen weer net zo goed verliezen. Het vernietigen van de nationale oudheden kan niet alleen culturele en economische, maar ook politieke consequenties hebben.

Salafi’s zullen in een democratisch systeem immers moeten balanceren tussen hun eigen religieuze principes en de dagelijkse realiteit van gewone mensen. Door een strikte invoering van de sharia zullen zij de problemen in Egypte (armoede, werkloosheid, torenhoge bevolkingsgroei) niet kunnen oplossen. Ook niet door het opblazen van de sfinx.

Maar het is niet waarschijnlijk dat orthodoxe moslims (en daar zijn er veel van in Egypte) boodschap hebben aan deze logica. Een salafi is eerder overtuigd van het volgende. Het gaat juist zo slecht met Egypte, omdat wij die afgodsbeelden hebben. Dat is de reden waarom God ons straft met armoede en werkeloosheid. De piramides zijn geen zegen, maar een vloek.

Maarten Zeegers is de auteur van Wij zijn Arabieren, portret van ondoordringbaar Syrië (2012).