Hbo plundert eigen onderwijs

Hogescholen doen steeds meer onderzoek. Maar wie betaalt? Hier is te weinig geld voor en het onderwijs lijdt eronder, zegt Jan Willem Bruins.

In relatieve stilte voltrekt zich een grote verandering in het hoger onderwijs. Tot voor kort was het doen van wetenschappelijk onderzoek voorbehouden aan universiteiten. Inmiddels doen alle hogescholen het ook.

Het is indrukwekkend hoe snel deze ontwikkeling verloopt. In 2006 moesten hogescholen het geld dat ze van de overheid ontvingen voor onderzoek nog gedeeltelijk terugbetalen omdat ze het niet hadden gebruikt. Enkele jaren later verrijzen rond hogescholen scienceparks en onderzoeksinstituten waaraan honderden bedrijven en instellingen participeren. Steeds meer hoogleraren en universitaire docenten zijn ook werkzaam in het hbo en het aantal gepromoveerde docenten neemt toe. De ambities van de hogescholen voor 2015 liegen er niet om. In dat jaar moet het aantal lectoren (de hbo-professor) en docenten dat onderzoek doet meer dan verdubbeld zijn.

Maar wie gaat dat betalen? De overheid niet. Van het budget voor onderzoek dat het Ministerie van Onderwijs verdeelt, gaat minder dan 3 procent naar de hogescholen. Uit het nieuwe regeerakkoord blijkt dat universiteiten nog wat extra onderzoeksgeld krijgen, hogescholen niet.

Het opschroeven van de onderzoeksambities komt op een ontijdig moment. Het hbo zit in een herstelfase. Er zijn goede en noodzakelijke maatregelen genomen om de onderwijskwaliteit te verbeteren. Die maatregelen moeten de hogescholen zelf financieren. Dat is geen sinecure, want hogescholen hadden het laatste decennium grote moeite om studenten voldoende college te geven.

In deze situatie lijkt verbetering te komen dankzij de door het ministerie gemaakte afspraken met de hogescholen: studenten zullen meer college krijgen. Deze kwaliteitsgolf dreigt nu echter krachteloos aan te spoelen op de zandbank van goede bedoelingen. Uit nog niet gepubliceerd onderzoek van de Vereniging van Medezeggenschapsraden van Hogescholen (VMH) blijkt dat het hbo veel te weinig geld heeft om haar onderzoeksambities te financieren. Daarom wordt er een greep gedaan in de kas die bedoeld is voor het geven van onderwijs. Op dit moment wordt onderzoek voor bijna één derde gefinancierd uit het onderwijsbudget en dat zal de komende jaren nog fors gaan stijgen. Voorstanders van deze ontwikkeling wijzen erop dat dit bedrag ten goede komt aan het onderwijs. Maar uit genoemd onderzoek blijkt dat lectoren in tegenstelling tot hun universitaire evenknie vrijwel geen college geven en dat hooguit 5 procent van de studenten betrokken is bij hun onderzoek.

Zonder een solide financiering van haar onderzoeksambities neemt het hbo onverantwoorde risico’s voor de onderwijskwaliteit.

Het ministerie wil dat hogescholen beter presteren en meer met elkaar concurreren. Maar het nut van competitie heeft onverwachte schaduweffecten. Uit angst de afgesproken prestatiecontracten niet te halen en achter te blijven bij de concurrentie, gaan hogescholen te veel investeren in onderzoek. Daarmee willen ze het risico reduceren gekort te worden. Maar de ironie is dat die extra investering ten koste lijkt te gaan van die andere, moeilijker te meten ‘prestatieafspraak’: het verbeteren van de onderwijskwaliteit.

Vrijwel alle politieke partijen wilden dat hogescholen meer aan onderzoek zouden gaan doen. De politiek hamert op het belang van kennisvalorisatie. Juist daarom zouden de direct in de praktijk toepasbare onderzoeksresultaten van hogescholen meer steun verdienen. Investeringen in innovatief hbo-onderzoek stimuleren de economie. Het is dan ook hoog tijd dat de overheid dit onderzoek serieus gaat nemen. En als dat uitblijft, zullen hogescholen hun ambities voorlopig moeten matigen.

Jan Willem Bruins is hogeschoolhoofddocent en voorzitter van de Vereniging van Medezeggenschapsraden van Hogescholen.