Darwin hielp ‘natuurlijke selectie’ een handje. Geen wonder dat Holocaust volgde

Onder aanhangers van de evolutietheorie is het not done om de grondlegger ervan verantwoordelijk te houden voor mensonterende toepassingen als de Holocaust. Toch zijn er volgens een nieuwe biografie over Charles Darwin tal van aanwijzingen dat hij de mensheid zelf aanspoorde tot ‘natuurlijke selectie’.

Voor de eerste aanwijzing hoeven we niet ver te zoeken, aldus de Britse historicus Paul Johnson in Darwin: Portrait of a Genius (Viking, oktober 2012). Darwins beroemdste werk, dat we kennen als The Origin of Species, luidt voluit: On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life. Woorden als ‘selectie’, ‘strijd’, ‘begunstigde’ en ‘behouden’ impliceren volgens Johnson “een geest of kracht die bewuster te werk gaat dan blinde natuur”.

Bovendien zijn Origin (1859) en The Descent of Man (1871) vergeven van formuleringen die wijzen op “ontwerp, doel of creatieve intelligentie”, vervolgt Johnson. Hij bestrijdt dus het idee dat Darwin (1809 - 1882) pure wetenschap bedreef. De scheiding tussen darwinisme en sociaal darwinisme, de politieke exploitatie van het eerste, is volgens hem een oneigenlijke. Vooral omdat Darwin nauw betrokken was bij sociale wetenschappers, geestelijken en politici die met zijn theorie aan de haal gingen.

Index om ongewensten te scheiden van gewensten

Allereerst was daar zijn neef Francis Galton. Een statisticus en antropoloog die onder invloed van Darwin de eugenetica introduceerde; wetenschappelijk onderzoek naar het verbeteren van een ras, toegespitst op mensen. In Hereditary Genius (1869) betoogt Galton dat civiliseren op zich wenselijk is, maar wel de neiging heeft om het aantal “onaangepasten” te vermeerderen en zodoende tegen de natuur inwerkt. Een natuur die zich graag zou ontdoen van zwakkeren, geesteszieken en andere ongewenste personen.

Het heeft volgens Galton geen zin om te zorgen voor armenwetten als de staat niets doet om de reproductie van superieure mensen te stimuleren en die van zwakkeren te voorkomen. Hij pleitte daarom voor een ‘nationale biografische index’ waarmee de bevolking opgedeeld kan worden in ‘gewensten’ en ‘ongewensten’. Alleen ‘gewensten’ zouden wat hem betreft nog mogen trouwen. “Darwin steunde het werk van zijn neef Galton”, aldus Johnson. “Hij prees zijn boek van harte aan toen het gepubliceerd werd.”

De Britse essayist William Rathbone Greg, een vriend van Darwin, ging nog verder dan Galton: “De zorgeloze, oneerzuchtige Ieren vermenigvuldigen zich als konijnen, terwijl de zuinige, visionaire, zelfrespecterende en ambitieuze Schotten - die streng zijn in hun moraal, spiritueel in hun geloof, scherpzinnig en gedisciplineerd in hun intelligentie - hun beste strijdjaren opgeven in het celibaat, te laat trouwen en voor weinig nageslacht zorgen.” Een zin die Darwin instemmend citeerde in The Descent of Man, and Selection in Relation to Sex en weigerde te schrappen uit latere edities toen een Ier daar in 1871 tegen protesteerde.

Revolutie van armen en democratie? On-darwinistisch

Niets wijst erop dat Darwin tegen eugenetica was, concludeert Johnson. “Darwin vond het vanzelfsprekend dat de verbetering van het menselijk ras, door natuurlijke of kunstmatige middelen, wenselijk is.” Daarbij was hij tegen vaccinatie, ofwel de medische mogelijkheid om mensen met een minder goede gezondheid te beschermen. En wat te denken van zijn visie op de blanke Europeaan als superieur ras? Johnson: “Ondanks zijn afkeer van wreedheid, verwelkomde hij de vermindering of zelfs het uitsterven van Aboriginals in Argentinië, Nieuw-Zeeland en Australië door ‘de sterkere rassen’. Hij nam het voor lief dat blanken uiteindelijk over Afrika zouden heersen en de inboorlingen zouden vervangen. Neem hierbij in ogenschouw dat het geboortecijfer van witte Europeanen in Darwins tijd historisch het hoogste ooit was. Darwin juichte toe hoe het proces van natuurlijke selectie een wereld geregeerd door blanken van Europese oorsprong dichterbij bracht.”

Het is inmiddels redelijk bekend dat de zin ‘the survival of the fittest’, het overleven van de best aan de omgeving aangepaste, niet uit de pen van Charles Darwin komt maar in 1864 is geformuleerd door de Britse filosoof Herbert Spencer, pionier in het sociaal darwinisme en pleitbezorger van maatschappelijke toepassing van de evolutietheorie. Darwin was echter zo enthousiast over Spencers werk dat hij in latere edities van Origin ‘natural selection’ verving door ‘survival of the fittest’. Een daad die Spencer nog meer invloed gaf op de politiek. Spencer waarschuwde dat de evoluerende strijd van Darwin bedreigd wordt door lagere klassen die hun zinnen hadden gezet op revolutie en democratie. Hij schakelde minder bedeelden gelijk aan de ‘primitieve wilden’ die Darwin tegengekomen was op zijn wereldreis.

Koloniseren en steriliseren onder de vlag van Darwin

Eén van de eersten die de loftrompet stak over Origin was de Engelse priester, historicus en schrijver Charles Kingsley. Darwin nam zijn aanbevelingsbrief op in de tweede druk van Origin. Daarin stelt de geestelijke dat Darwins theorie het bestaan van God niet uitsluit, maar Hem neerzet als de schepper van een paar organismen die zich doorontwikkelden tot diverse, hogere soorten. Kingsley merkte vervolgens op dat “de natuurwetenschap meer en meer de enorme betekenis van ras, erfelijke krachten, erfelijke organen en erfelijke gewoonten onderschrijft. In alle georganiseerde wezens, van de laagste plant tot het hoogste dier.”

Vanaf dag één maakte Darwin met Origin indruk op de elite. Johnson: “Darwins geschriften leidden direct tot de gemoedstoestand die imperialisme promoot. In minder dan twintig jaar koloniseerde Groot-Brittannië meer dan 3,5 miljoen vierkante mijl en nog eens een miljoen aan protectoraten. Ondertussen namen ook andere landen een vlucht in het koloniseren van gebieden en het ontwikkelen van hun eigen superieure rastheorie ter rechtvaardiging daarvan - de Russen, de Fransen, de Japanners, nieuwkomers in de moderniteit die immens trots zijn op hun onmiskenbare raciale puurheid en - vooral - de Duitsers.” Heinrich von Treitschke (1834 – 1896), een Duitse historicus en politicus, maakte op basis van Darwins leer een raciale analyse van het Duitse volk en schetste zijn landgenoten een triomfantelijke toekomst. De Duitse staatsman Otto von Bismarck (1815 - 1898) startte een imperialistisch programma met de darwinistische slagzin ‘Blood and Iron’, bloed en ijzer.

Begin twintigste eeuw nam het sociaal darwinisme een vlucht. Met name dankzij de lobby van Charles Davenport, een prominente Amerikaanse bioloog en eugeneticus, die zijn zorgen uitsprak over de “ondermijning” en “verzwakking” van het Angelsaksische ‘ras’ door migranten uit Oost-Europa, met name Joden. Een notie die werd opgenomen in de Immigratiewet. Individuele Amerikaanse staten gingen verder en steriliseerden de geestelijk onaangepasten en bepaalde typen criminelen. In 1920 hadden vijftien staten sterilisatiewetten. Op het Europese continent waren vooral Noorwegen, Finland, Zweden, IJsland, Estland en Zweden dol op sterilisaties. Laatstgenoemde maakte 65.000 mensen onvruchtbaar.

Adolf Hitler was een kind van zijn tijd

We moeten inzien, zo verklaart Paul Johnson, dat Adolf Hitler geen geïsoleerd geval is geweest. Het idee van natuurlijke selectie als politiek middel was reeds wijdverbreid. “In zijn klim naar de macht scoorde Hitler altijd beter onder de universitair geschoolde bevolking dan onder de kiezers als geheel. Duitse biologen schaarden zich bijna unaniem achter zijn eugenetische progamma en meer dan de helft was lid van de Nazi-partij, het hoogste percentage onder alle beroepsgroepen. Zowel Himmler, hoofd van de SS, als Goebbels, de chef propaganda, bestudeerden Darwin.”

Vooral Darwins voorliefde voor het woord ‘struggle’ (strijd) pakte ongelukkig uit, aldus Johnson. Alsmede ‘extermination’, het compleet verwoesten van iets. Woorden die een gewelddadige lading hadden, of zelfs tot geweld aanspoorden. De auteur kan Hitlers autobiografie en politiek program Mein Kampf (mijn strijd) daarom niet los zien van Darwins struggle for life.

Darwins invloed op Hitler komt het best tot uiting in uitgeschreven tafelgesprekken (1940-1941) die de Führer met zijn medewerkers hield. Treffend zijn de volgende citaten: “Als we de wetten van de natuur niet respecteren, de macht niet bedelen aan de sterkste, dan zal er een dag komen dat de wilde dieren ons zullen verslinden en insecten vervolgens die wilde dieren opeten. Uiteindelijk zal er dan niets anders bestaan dan microben. (..) Middels strijd worden elites voortdurend vernieuwd. De wet van de selectie rechtvaardigt die onophoudelijke strijd omdat de best aangepaste organismen behoren te overleven. Het christendom is een opstand tegen die natuurwet, een protest tegen de natuur.”

Beschaafde mens moet juist tegen natuur inwerken

Elders in zijn boek maakt Johnson duidelijk dat Charles Darwin allesbehalve een studeerkamergeleerde was die zich geïsoleerd aan de natuurwetenschappen wijdde. Sterker; hij opereerde als autodidact nogal los van de academische discipline. Iets dat zo gegroeid was, aangezien hij vanwege een enorme erfenis nooit heeft moeten werken voor zijn geld. Darwin kon doen waar hij zin in had en begaf zich maar al te graag op feesten en partijen in het gezelschap van invloedrijke en machtige mensen. Een netwerker pur sang, die fungeerde als een zelfstandige PR-machine.

Darwins evolutietheorie mag dan geniaal zijn, leert Johnson, maar ze is wel bedacht door iemand die zich te goed voelde om de basisbeginselen van de natuurwetenschappen van buiten te leren. Een gebrek dat afstraalde op de allerminst objectieve formuleringen in zijn boeken. Hoewel Darwin nooit een politieke functie heeft bekleed, distantieerde hij zich niet van de mensen die zijn werk politiseerden. Hij omringde zich er maar al te graag mee en voelde zich zo gevleid dat hij de meest rare interpretaties tot marketing verhief.

Het gaat te ver om Darwin de Holocaust in de schoenen te schuiven. Maar achteraf gezien is de manier waarop en de snelheid waarmee ‘natuurlijke selectie’ actieve politieke werd zeer te betreuren. De neerbuigende wijze waarop Darwin over primitievere volkeren sprak en zelfs bepaalde rassen als inferieur en barbaars wegzette, speelde dat in de kaart. En dat terwijl de evolutietheorie ook heel anders uitgelegd had kunnen worden. Wie zo’n hoge dunk heeft van de eigen beschaving zou er juist voor moeten waken zich als beest in de strijd te werpen. Zodra de mens zelf gaat selecteren transformeert hij zichzelf tot een barbaar - en dat heeft helemaal niets met de ‘hogere soort’ te maken die Darwin in beginsel voor ogen stond.

Hetgeen ons mens maakt is misschien niet het onoverwinnelijke dier in ons, maar het vermogen om zwakkeren binnen de groep te houden, het lef om tegen de natuur in te werken en te nivelleren als het water ons aan de lippen staat. Darwins theorie is misbruikt zoals een dna-databank misbruikt kan worden. Het kwaad zit hem echter niet in de theorie of de techniek, maar in de toepassing ervan.

Volg de auteur op Twitter