Apen met een dipje

Apen hebben een midlifecrisis, las ik onlangs op de wetenschapspagina’s van verschillende kranten. Verzorgers in Japanse, Amerikaanse en Australische dierentuinen hadden eerder geconstateerd hoe goed chimpansees en orang-oetans in hun vel zitten. Maar nu hebben primatenonderzoekers van de Universiteit van Edinburgh ontdekt dat als apen de dertig naderen, ze somber worden. Daarna stijgt hun geluk weer.

Het bericht liet mij niet meer los. Apen worden gemiddeld zo’n veertig, vijftig jaar. De geconstateerde crisis speelt zich dus tien à twintig jaar voor hun dood af. Hebben ze dan in mensentermen niet eigenlijk een zestiger- of een zeventigersdip?

Ruut Veenhoven, emeritus hoogleraar geluksonderzoek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, reageerde enthousiast op het midlife- nieuwtje: „We denken al snel dat een midlife-dip komt door zorgen over hypotheek en carrière. Maar deze studie toont aan dat ook onze naaste soortgenoten er last van hebben en die zijn echt niet bezig met hun arbeidsvoorwaarden.”

Ik heb een midlifecrisis altijd begrepen als een fenomeen waarbij mannen die over de helft van hun leven zijn existentiële twijfels hebben over hun fysieke vergankelijkheid en dat oplossen met een sportauto en een jonge vrouw. Maar arbeidsvoorwaarden? En hoezo hebben apen daar geen last van? De primatoloog Sarah Blaffer Hrdy heeft in haar werk laten zien hoe mannetjes- en vrouwtjesapen dagelijks onderhandelen over hun ‘arbeidsvoorwaarden’: wie zorgt er voor de kinderen en wie voor het eten?

Toch was het bericht niet zo vreemd. Want de Amerikaanse cultuurhistorica Donna Haraway heeft in Primate Visions laten zien dat verhalen over apen altijd over onszelf gaan. Via verhalen over apen onderhandelt de mens over zijn identiteit. Wie ben ik, waar kom ik vandaan, waar moet ik heen? Als apen nu een midlifecrisis hebben, zegt dat meer iets over het midlifegetob van onze tijd dan over de apen.

Toeval of niet, de midlifecrisis dook overal in de media op. Sommige mannen lossen hem in drie weken op (Michiel Romeyn), andere mannen maken er amusement van. Het tv-programma Mannen van een zekere leeftijd portretteert vijf mannen die zich maar wat druk maken om hun terugtrekkende haargrens, botox en tatoeages, en verder best lekker in hun vel zitten. Prem schreeuwde opgewekt van de daken dat hij in een ongelooflijk leuk programma over midlifecrisis zat.

Dan was er Joost Zwagerman. Die gaf – een stuk dapperder en eerlijker – een openhartig interview in de Volkskrant naar aanleiding van zijn boek Kennis is geluk. Het ging over ongeluk. Ik verwonderde mij over de schaamteloosheid van de journalist die nauwelijks vragen over dat boek stelde. En over de foto die Zwagerman op zijn allertreurigst betrapte in een tuinhuisje. In een themanummer van De Groene Amsterdammer over mediacratie passeerde dan ook nog Jack de Vries. Die stelde in een interview dat de media zich al te gulzig hebben gestort op zijn buitenechtelijke affaire.

Midlife als amusement, midlife als bron van schrijverschap en midlife als politieke crisis. Maar de ware midlife-patiënt is op dit moment een andere – De Groene legde de vinger op de zere plek met haar nummer over de kritieke toestand van de media. Het eerste televisietoestel komt uit 1958. Nu, iets ouder dan vijftig jaar, ligt het klassieke omroepbestel onder vuur en staan nieuwe media te trappelen om het over te nemen.

Ik lees nog een keer het wonderlijke bericht over apen met een midlifecrisis en constateer: de media gooien er schaamteloos veel sportautootjes, buitenechtelijke affaires en blondines tegenaan om de aandacht te trekken. Ze maken amusement van hun eigen crisis. En de apen? Die mogen zich gelukkig prijzen dat ze van die mediacrisis verschoond blijven.

Filosoof, schrijver en tv-maker Stine Jensen schrijft elke dinsdag over media, populaire cultuur en hypes.