Twee dikke vrienden, jij en ik Twee dikke vrienden, jij en ik

Wij blijven altijd bij elkaar. Hoeba hoeba hoeba, hop hop hop. Maar wat als twee eeuwige vrienden op elkaar zijn uitgekeken?

10 Jun 1949 --- Girls Sharing an Ice Cream Soda --- Image by © Bettmann/CORBIS © Bettmann/CORBIS

Je kent haar moeder, haar zus en haar meisjeskamer. Je weet dat ze vroeger thuis kip uit de römertopf kreeg – jaloersmakend lekker vond je dat. Je weet welk cijfer ze voor wiskunde had op haar eindlijst, want jij had hetzelfde: een magere vijf, als beloning voor die oeverloze zondagmiddagen waarop jullie kletsten en ontbijtkoek aten en tv keken en géén grafieken tekenden. Jullie kozen dezelfde universiteit, deelden tijdelijk een krappe zolder in een nieuwe stad en volgden met liefhebbende argusogen hoe de ander volwassen probeerde te worden. Je was getuige op haar huwelijk.

En nu? Waarom weet je niet precies, maar het werkt niet meer tussen jullie. Er moet van alles broeien – ergernis, jaloezie of gewoon verveling – wat het ook is, de afspraken die jullie al die jaren trouw zijn blijven maken, verlopen steeds stroever. Waar praat je over als je elkaar nog maar een paar keer per jaar ziet? En moet je hier coûte que coûte mee doorgaan?

In de jaren 1950 formuleerden sociologen drie voorwaarden voor het ontstaan van echte, hechte vriendschappen: fysieke nabijheid, frequente, ongeplande interacties en een omgeving waarin mensen op hun gemak zijn en elkaar in vertrouwen durven nemen. Op school en tijdens een vervolgopleiding wordt aan alle drie ruimschoots voldaan – vandaar dat die vriendschappen vaak lang meekunnen. Contacten met collega’s zijn minder zuiver: hoe jolig je de dag ook met elkaar doorkomt, op het werk draagt iedereen een masker en doet zich stoerder voor. Elke collega is ook een concurrent.

Ook partners en kinderen zijn geen vervanging voor die echte, oude vrienden, constateerde New York Times-journalist Alex Williams afgelopen zomer in een somber getoonzet artikel met als onderkop ‘Why Is It Hard to Make Friends Over 30?’ Hij citeert dertigers en veertigers die zich beklagen over de stilstand in hun sociale leven: ze zijn omringd door mensen, maar intieme vriendschappen doen ze al jaren niet meer op. Het ontbreekt hun aan tijd en gelegenheid, waardoor ze zich eigenlijk chronisch alleen voelen. Het schrijnendste voorbeeld vormt een 39-jarige onderwijsmedewerkster met 509 Twitter-volgers en 857 (!) Facebook-vrienden, die na een verhuizing ontdekte dat ze moeite had om gasten voor haar eigen verjaardag te vinden. Een man memoreert de moeilijke tijd na zijn scheiding: hij ging op dansles, niet om vrouwen te versieren, maar om nieuwe buddies te zoeken. Een 32-jarige consultant ontwikkelde een 100-punten-schaal voor nieuwe ‘kandidaat-vrienden’: 100 is voor een best friend forever, maar elke faux pas (niet terugbellen, te laat komen) betekent puntenaftrek. De meeste nieuwe contacten eindigen dan ook als kennissen, met scores van 30 tot 60.

Veelzeggend is de term ‘kandidaat-vrienden’ die hier wordt gebruikt – alsof er een examen is waar mensen voor moeten slagen, willen we ze nog als vriend accepteren. En naarmate we ouder worden en onze tijd schaarser, worden de eisen strenger. Er spreekt nog iets uit Williams’ artikel, dat schrijnend wordt zodra je een boek over vriendschap in vroeger tijden leest: wat zijn wij op sociaal gebied verwend en verzadigd geworden. Eenzaamheid en sociaal isolement bestaan zeker nog, maar de mensen die Williams citeert hebben daar geen last van. Ze zijn eerder onwillig om te investeren in mensen die ze niet maatschappelijk nuttig vinden, of met wie niet meteen die magische ‘klik’ optreedt.

Maar wie zegt dat er nog wel een klik zou zijn met ouwe getrouwen die ogenschijnlijk door praktische omstandigheden uit je leven verdwenen? Schoolreünies vormen zelden aanleiding voor meer dan elkaar hartelijk op de schouder slaan en contactgegevens uitwisselen. En stel dat je gedwongen werd om weer samen te wonen met je huisgenote van toen, zou dat dan nog wel zo leuk zijn? Zouden jullie moeiteloos in het oude rolpatroon terugvallen, of zou dat net zo’n worsteling worden als bij een heel star familiebezoek?

Ik geloof niet meer zo in eeuwige vriendschap – of liever, niet in geconsumeerde eeuwige vriendschap. Je kunt jarenlang intensief met iemand optrekken en hem vervolgens in alle liefde loslaten. Met mijn beste schoolvriendin deed ik dat zelfs in samenspraak. Na een laatste, pijnlijk kopje thee schreven we elkaar een briefje met de gedeelde constatering dat we elkaar weinig meer te bieden hadden, maar dat dat niet erg was. Ik wens je het allerbeste, schreven we, en ik blijf aan je verjaardag denken. We lieten elkaar gaan, en eigenlijk was dat heel mooi.

In de praktijk van alledag weet ik me inmiddels tot groot genoegen omringd door situational friends, zoals Williams ze licht misprijzend noemt. Ze zijn toevallig in mijn leven gekomen – op het trappenhuis, in een kleedkamer – en wat betreft achtergrond, opleiding en religieuze en politieke oriëntatie zijn ze heel anders dan ik. Alleen al op basis van hun kleding had ik ze in die zo pure schooltijd nuffig afgewezen, denk ik, en zij mij. Gelukkig ligt dat achter ons. Met mijn buren hou ik etentjes waarop we en passant ook allemaal even op onze huisbaas mogen foeteren. Met een oud-yogavriendin bedenk ik handige, prozaïsche afspraken: ik breng jouw kind naar dansles als jij weer eens die lekkere tonijnlasagne voor ons maakt. Met een dierbare oud-collega – het bestaat dus wel – koppel ik elk veroverd moment samen aan een filmbezoek, om het dan zwijgend even heel erg eens te kunnen zijn. Voor uren elkaars zieleroerselen aanhoren is inderdaad niet veel tijd meer. Maar als die er opeens wel was, vraag ik me af of we er veel zin in zouden hebben.